Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Docenten kunnen gestandaardiseerde feedback gebruiken om snel heldere feedback te geven. Voor studenten is het op die manier duidelijk welk soort verbeteringen ze kunnen doorvoeren. Je kunt bijvoorbeeld zoals op de UvA werken met correctiecodes, of zoals op de HvA een taalbeoordelingsformulier met feedbackzinnen gebruiken.

Taalbeoordelingsformulier met feedbackzinnen

Het Taalteam van HvA Studentenzaken heeft een taalbeoordelingsformulier ontwikkeld, bedoeld voor docenten en hun studenten. Het formulier bevat feedbackzinnen, die docenten kunnen gebruiken om taal summatief of formatief te beoordelen en daarbij gerichte feedback te geven. Studenten kunnen het formulier gebruiken als checklist, voordat ze een geschreven tekst inleveren.

Het schrijfproces

Er wordt uitgegaan van vier onderdelen (stadia) binnen het schrijfproces: voorbereiden, structureren, formuleren en redigeren. Deze stadia komen in meer of mindere mate terug in het taalbeoordelingsformulier als criteria:

  • Structureren gaat over de structuur en de opbouw van de tekst als geheel, van de alinea’s en van de zinnen. Ook gaat dit over de samenhang tussen de verschillende tekstonderdelen.
  • Om goed te formuleren moeten de juiste woorden en zinnen zijn gekozen en moeten die keuzes passen bij het tekstdoel en bij de lezer.
  • Bij het redigeren zijn de juiste spelling, grammatica en interpunctie belangrijk.

Opdrachtomschrijving

De eerste fase van het schrijfproces, voorbereiden, wordt niet beoordeeld met dit formulier, maar is wel essentieel voor het goed kunnen uitwerken van de opdracht. Docenten hebben de taak om van tevoren voldoende informatie te geven over de tekst die de studenten moeten schrijven; hiervoor is een goede handleiding of opdrachtomschrijving essentieel.

Feedback

Bij elk onderdeel staat aangegeven of de student voldoende (V) dan wel onvoldoende (O) scoort. Docenten kunnen de relevante feedbackzinnen aanvullen met specifieke voorbeelden uit de ingeleverde tekst. Deze feedbackzinnen zijn uiteraard ook te gebruiken als aandachtspunten bij een voldoende (V), inclusief eventuele voorbeelden uit de ingeleverde tekst. Per onderdeel zijn verwijzingen opgenomen voor verdere informatie.

Feedbackzinnen
  • Structureren

    De tekst is voldoende gestructureerd als deze helder opgebouwd is, met samenhang tussen en binnen alinea’s en zinnen.

    Opbouw (tekstniveau)

    Mogelijke feedback over de opbouw (tekstniveau):

    • Zorg dat de opbouw van je tekst bij de tekstsoort past. In een betoog begin je bijvoorbeeld meestal met een stelling, daarna voor- en tegenargumenten en tot slot een conclusie.
    • Zorg dat de onderdelen van de tekst (inleiding, middenstuk, slot) duidelijk te herkennen zijn, zowel inhoudelijk als door de lay-out. 
    • Gebruik een heldere hoofdstuk- en/of paragraafindeling. 
    • Begin elk hoofdstuk met een inleiding met leeswijzer, waarin duidelijk wordt waar het hoofdstuk over gaat. 

    Samenhang (alineaniveau)

    Mogelijke feedback over de samenhang (alineaniveau):

    • Zorg voor één hoofdgedachte per alinea.
    • Zorg dat je alinea niet te lang is, maar ook niet te kort (een richtlijn is: vier tot twaalf regels).
    • Zorg voor samenhang tussen en binnen je alinea’s door bijvoorbeeld signaal- en/of verwijswoorden te gebruiken.
    • Zorg dat je de alinea’s duidelijk van elkaar onderscheidt, door op een nieuwe regel te beginnen.
    • Gebruik tussenkoppen spaarzaam, bijvoorbeeld niet voor elke nieuwe alinea, maar wel voor meerdere (samenhangende) alinea’s. 
    • Zet grafieken, tabellen en/of afbeeldingen in de buurt van de beschrijving hiervan.
    • Zorg dat je de alinea’s duidelijk van elkaar onderscheidt, door op een nieuwe regel te beginnen.
    • Gebruik tussenkoppen spaarzaam, bijvoorbeeld niet voor elke nieuwe alinea, maar wel voor meerdere (samenhangende) alinea’s. 
    • Zet grafieken, tabellen en/of afbeeldingen in de buurt van de beschrijving hiervan.

    Samenhang (zinsniveau)

    Mogelijke feedback over de samenhang (zinsniveau):

    • Geef verbanden tussen zinnen aan met signaal- en verwijswoorden, bijvoorbeeld ten slotte of zoals hiervoor …
    • Zorg dat duidelijk is waarnaar je verwijswoorden (bijvoorbeeld dit/dat) verwijzen; kies voor herhaling als veel informatie staat tussen het verwijswoord en de term waarnaar verwezen wordt.
    • Introduceer je citaten, bijvoorbeeld Expert A (2025) definieert dit als volgt: “[Citaat].”
    • Verwijs naar bijlagen, grafieken, tabellen en/of afbeeldingen. 
  • Formuleren

    De formulering van de tekst is voldoende als toon, woordgebruik en zinsbouw zijn afgestemd op het doel en de lezer.

    Toon

    Mogelijke feedback over de toon:

    • Zorg dat het tekstdoel (bijvoorbeeld informeren of argumenteren) past bij de tekstsoort. In een verslag wil je bijvoorbeeld je lezer informeren en niet overtuigen.
    • Zorg dat je taalgebruik past bij het doel. Een voorlichtingstekst heeft bijvoorbeeld een neutrale toon en een wervende tekst een enthousiasmerende toon.
    • Zorg dat je woorden en zinnen passen bij je lezers. Je toon is bijvoorbeeld persoonlijk bij een reflectieverslag, formeel bij een rapport, en academische en vakspecifieke bij een onderzoeksverslag.
    • Zorg dat je toon consistent (overal hetzelfde) is, bijvoorbeeld: als je met een zakelijke toon begint, dan is de rest van je tekst ook zakelijk.
    • Spreek de lezer alleen aan in een tekstsoort waar dat gebruikelijk is, bijvoorbeeld wel in een brief of voorwoord, maar niet in een verslag.

    Woordgebruik (stijl)

    Mogelijke feedback over het woordgebruik:

    • Let erop dat je (academische en vakspecifieke) woorden en woordcombinaties. woorden en woordcombinaties correct gebruikt.
    • Leg begrippen uit die misschien onbekend zijn bij de lezer, bijvoorbeeld nieuwe, vakspecifieke begrippen of definities.
    • Schrijf afkortingen bij de eerste vermelding voluit met de afkorting erachter tussen haakjes, bijvoorbeeld Bindend studieadvies (BSA); daarna mag je de afkorting gebruiken.
    • Gebruik de correcte signaalwoorden, bijvoorbeeld kortom bij een samenvatting of conclusie, mits bij een voorwaarde en tenzij bij een uitzondering. 
    • Gebruik zo veel mogelijk actieve werkwoorden, dus niet: Er wordt in deze paragraaf aangegeven, maar: In deze paragraaf staat.
    • Gebruik zo veel mogelijk schrijftaal in plaats van spreektaal, dus niet: We kijken hoe mensen met stress omgaan, maar: We observeren hoe mensen met stress omgaan.
    • Gebruik specifieke woorden, dus niet een bepaalde methode, maar: de directe-instructiemethode
    • Varieer in je woorden en vermijd storende herhalingen, dus niet … de Hogeschool van Amsterdam. … In de Hogeschool van Amsterdam, maar: … de Hogeschool van Amsterdam. In deze hogeschool.

    Zinsbouw (formulering)

    Mogelijke feedback over de zinsbouw (formulering):

    • Laat onderwerp en persoonsvorm op elkaar aansluiten, dus niet De behoefte van de studenten liggen, maar De behoefte van de studenten ligt.
    • Je onderwerp en/of persoonsvorm staan vaak op de verkeerde plek in de zin.
    • Gebruik dezelfde werkwoordstijden 
    • in zinsdelen of zinnen die bij elkaar horen, dus niet: toen hij de fout maakte, gaat het mis, maar: toen hij de fout maakte, ging het mis.
    • Wissel korte en lange zinnen met elkaar af.
    • Zet bij elkaar wat bij elkaar hoort, zeker in lange zinnen, en vermijd tangconstructies, dus niet: We hebben, omdat we hard gewerkt hadden, ons project succesvol afgerond, maar: We hebben ons project succesvol afgerond, omdat we hard gewerkt hadden.
    • Gebruik de correcte lidwoorden, dus niet: het alinea maar: de alinea.
    • Zorg voor correcte verwijzingen met die, dat of wat, dus niet: het meisje die of het meisje wat, maar: het meisje dat.
    • Verwijs naar personen met ‘wie’, dus niet: de opdrachtgever waarvan, maar: de opdrachtgever van wie.
    • Zorg dat je onderwerp en/of persoonsvorm op de juiste plek in de zin staan, dus niet: Daarna het protocol trad in werking, maar: Daarna trad het protocol in werking of Het protocol trad daarna in werking.
  • Redigeren

    De tekst is voldoende geredigeerd als er nauwelijks fouten zijn in de woordvolgorde, zinsbouw, spelling en interpunctie.

    Zinsbouw (grammatica)

    Mogelijke feedback over zinsbouw (grammatica):

    • Zorg voor een correcte woordvolgorde, ook bij langere en samengestelde zinnen, dus niet Eerst geef ik een situatieschets en licht ik deze vervolgens toe, maar: Eerst geef ik een situatieschets en vervolgens licht ik deze toe.
    • Gebruik samentrekkingen alleen als de zin dan nog steeds klopt, dus niet Hij heeft een diploma en hard ervoor gewerkt, maar: Hij heeft een diploma en hij heeft er hard voor gewerkt.
    • Gebruik de correcte voorzetsels, dus niet refereren naar, maar: refereren aan of verwijzen naar
    • Vervoeg het bijvoeglijk naamwoord correct, dus niet een goede boek, maar een goed boek.

    Spelling

    Mogelijke feedback over spelling:

    • Schrijf in formele teksten afkortingen voluit, dus niet o.a. maar: 'onder andere'.
    • Vermijd typefouten en gebruik een spellingscontrole.
    • Spel je werkwoorden correct. Pas bijvoorbeeld op voor d/t-fouten en onregelmatige werkwoorden, dus niet zij beoordeeldik wordt en hij wilt, maar zij beoordeelt, ik word en hij wil.
    • Schrijf samenstellingen aan elkaar, dus niet management samenvatting, maar managementsamenvatting.
    • Schrijf woorden los als ze geen samenstellingen zijn, dus niet doormiddel van, maar door middel van.
    • Spel woorden correct die los een andere betekenis dan aan elkaar hebben. Aan het einde van een opsomming schrijf je bijvoorbeeld niet tenslotte, maar ten slotte
    • Spel afleidingen correct, dus niet hbo-er, maar hbo’er
    • Gebruik hoofdletters  correct, dus niet HAVO en MBO, maar havo en mbo.

    Interpunctie

    Voor leestekengebruik zijn er vooral richtlijnen en niet altijd officiële regels. Mogelijke feedback over interpunctie:

    • Zorg ervoor dat de leestekens op de juiste plek in de zin staan. Zet bijvoorbeeld een punt aan het einde van je zin.
    • Zorg ervoor dat je voldoende leestekens gebruikt bij langere zinnen. Gebruik bijvoorbeeld komma’s bij leespauzes.
    • Gebruik bij titels of koppen geen leestekens, behalve een vraag- of uitroepteken.
    • Gebruik aanhalingstekens voor citaten.
  • Voldoende of niet?

    Om een tekst van voldoende niveau te kunnen schrijven moet een student alle onderdelen voldoende beheersen. Toch zijn er verschillende niveaus te onderscheiden, zodat het mogelijk is om de ontwikkeling in taal zichtbaar te maken. 

    Op niveau

    Wanneer een student op alle onderdelen voldoende scoort, beheerst die het gevraagde niveau goed en hoeft die geen actie te ondernemen.

    Nog niet op niveau

    Wanneer een student op minstens één onderdeel onvoldoende scoort, dan moet die actie ondernemen om gericht hieraan te werken.

    Geheel niet op niveau

    Wanneer een student bij alle onderdelen onvoldoende scoort, dan is de taalbeheersing problematisch. Als de student hier niets aan doet, gaat dit tot problemen leiden bij de uitvoering en beoordeling van vakken. De student moet actie ondernemen om het taalniveau in ieder geval op deze onderdelen te verbeteren.

Correctiecodes bij opbouw en samenhang

Correctiecodes geven aan welk soort verbeteringen nog doorgevoerd moeten worden in een tekst. Ze worden dus zowel door docenten als door studenten gebruikt.

  • Opbouw en samenhang

    De code begint in onderstaande gevallen met de O van opbouw.

    • O1 Titel is niet goed geformuleerd. Ga voor meer uitleg naar Titels.
    • O2 Volgorde van de onderdelen is niet in orde.
    • O3 Dit is een nieuwe alinea, dus inspringen. Zie ook Lay-out van alinea’s.
    • O4 Dit is geen nieuwe alinea, dus tekst laten doorlopen. Zie ook Lay-out van alinea’s.
    • O5 Het verband tussen deze zinnen of passages is onduidelijk. Expliciteer het verband bijvoorbeeld met tekststructurerend commentaar of signaalwoorden en verwijswoorden.
    • O6 Het is onduidelijk waarnaar dit woord verwijst, zie Vage verwijzingen.
    • O7 Schrijf de inleiding in de tegenwoordige tijd.
    • O8 Schrijf de samenvatting in een perspectief achteraf, dus gebruik de verleden tijd.
    • O9 Hier ontbreekt een onderdeel.
    • O10 Dit is niet de standaardkop. Volg de voorschriften.
  • Formulering

    De code begint in onderstaande gevallen met de F van formulering.

    • F1 Deze zin leest onprettig omdat hij te lang en/of te ingewikkeld is.
    • F2 Onzorgvuldig geformuleerd.
    • F3 Door het gebruik van dit vage verwijswoord is niet duidelijk waarnaar je precies verwijst.
    • F4 Dit is een personificatie.
    • F5 Dit is een archaïsch woord. Gebruik liever een moderne variant ervan.
    • F6 Gebruik hier geen persoonlijke stijl en/of spreek de lezer niet aan.
    • F7 Dit is te populair woordgebruik.
    • F8 Dit is geen correct woordgebruik.
    • F9 Deze persoonsvorm is niet in orde. Kijk naar het onderwerp: is dat enkelvoud of meervoud?
    • F10 Je moet hier een ander voorzetsel kiezen.
    • F11 Je hebt hier geen goed verwijswoord gekozen.
    • F12 Dit is een incorrecte of kromme zin.
    • F13 De spelling van dit woord is niet in orde. Controleer eventueel in het Groene Boekje of bekijk de items van spelling.
    • F14 Fout in de werkwoordspelling.
    • F15 Zet de punt op tijd.
    • F16 Dit zijn geen aparte zinnen, de conjunctie geeft aan dat deze zinnen bij elkaar horen.
    • F17 Kommagebruik is niet in orde.
    • F18 Geen hoofdletter na een dubbele punt.
    • F19 Schrijf voluit.
    • F20 Dit schrijf je (niet) met een hoofdletter.
    • F21 Dit samengestelde woord schrijf je als één woord, dus aan elkaar.
    • F22 Dit woord mag je niet zo afbreken.
    • F23 Vaag taalgebruik. Wees exacter.
    • F24 Vermijd subjectief taalgebruik.
    • F25 Niet met de hand schrijven.
  • Afwerking van de tekst

    De code begint in onderstaande gevallen met de A van afwerking.

    • A1 Lay-out van de (sub)titel niet in orde.
    • A2 Regelafstand niet in orde. Zie Typografische indeling.
    • A3 Lettertype niet in orde. Zie Typografische indeling.
    • A4 Alineaweergave is niet consequent, zie ook Lay-out van alinea’s.
    • A5 Niet met de hand verbeteren.
    • A6 Geef figuren, tabellen, afbeeldingen etc altijd een naam en nummer.
    • A7 Kantlijn niet in orde.
    • A8 Spatiëring niet in orde.
    • A9 Tekst boven of onder een afbeelding plaatsen, niet ernaast.
    • A10 Bronnenweergave is niet correct.
    • A11 Plaats deze informatie liever in een noot.
    • A12 De weergave van de gebruikte bronnen is niet correct.
    • A13 Geef hier (g)een witregel.
    • A14 Zet geen (dubbele) punt achter een kopje.
    • A15 Nieuwe alinea, dus inspringen.
    • A16 Onderscheid de alinea’s van een paragraaf liever door in te springen dan door witregels. Dat laatste is meer briefstijl.
    • A17 Plaats figuren niet naast de tekst, maar eronder of erboven.
    • A18 Meer wit boven een kopje dan eronder.
    • A19 De eerste alinea na een witregel op bovenaan de pagina spring je nooit in.
    • A20 Uitroeptekens zijn subjectief. Gebruik ze dus niet in een academische tekst.
  • Inhoud van de tekst

    De code begint in onderstaande gevallen met de I van inhoud.

    • I1 Dit tekstonderdeel is niet compleet; er ontbreekt essentiële informatie.
    • I2 De samenvatting is niet representatief voor de tekst.
    • I3 De samenvatting is niet zelfstandig leesbaar.
    • I4 De samenvatting bevat niet-relevante informatie of relevante informatie als doel, resultaten en conclusie ontbreken.
    • I5 Deze passage is onduidelijk. Beter uitleggen!
    • I6 In dit onderdeel niet betogen, alleen beschrijven.
    • I7 De argumentatie is hier niet in orde. Ga naar Argumenteren voor meer uitleg.
    • I8 Het antwoord op de onderzoeksvraag ontbreekt.
    • I9 Is deze informatie van jezelf? Zo nee, dan is dit plagiaat. Lees bij Citeren en parafraseren hoe en waarom je naar gebruikte bronnen moet verwijzen.
    • I10 Het maatschappelijk of wetenschappelijk belang van de proef ontbreekt.
    • I11 Geef de werkwijze niet weer in instructies, maar in de vorm van een verslag/beschrijving achteraf.
    • I12 De weergave van de referentie(s) is niet volgens de voorschriften.