Taal en stijl: grammatica
Zorg voor een correct gebruik van de voornaamwoorden. Vooral u of zich, dan mij of dan ik, en hen of hun gaan vaak mis. Als een voornaamwoord gecombineerd wordt met een voorzetsel, is het ook belangrijk op te blijven letten.
Vergelijk de volgende zinnen:
In dit geval moet je kiezen voor zin 1. Dat komt omdat het onderwerp van deze zin ‘u’ de tweede persoon vertegenwoordigt (als beleefde variant van ‘je’). Analoog aan je hebt je vergist wordt de variant met u: u hebt u vergist.
Zin 2 is overigens wel goed als je in plaats van ‘hebt’ kiest voor ‘heeft’. Dat is de vorm die hoort bij de derde persoon (hij, zij, het). In dat geval is ‘u’ een variant op ‘hij’ of ‘zij’. Analoog aan hij heeft zich vergist wordt de variant met u dan u heeft zich vergist.
Vergelijk de volgende zinnen:
Zin 2 is correct. Je kunt dit bij twijfel makkelijk oplossen door de zin, die ingekort is, compleet te maken. Zin 1 levert dan een incorrecte zin op.
De voornaamwoorden hen en hun worden vaak fout gebruikt. Er kunnen zich meerdere problemen voordoen, grotendeels omdat het een kunstmatig onderscheid is, gebaseerd op naamvallen die in het Nederlands nauwelijks meer gebruikt worden.
Er komt steeds meer voorkeur bij taalgebruikers voor hun ten koste van hen. Dat geldt echter vooral voor de spreektaal; in schrijftaal heeft hen vaak de voorkeur. Zie de volgende zinnen:
In deze zinnen vervullen hun en hen de rol van direct object of lijdend voorwerp. De vorm die hierbij hoort, is hen. Hun is de vorm die hoort bij het indirect object of meewerkend voorwerp. Als je voor hen kiest (zin 1), zit je in dit geval goed. Toch zullen nog maar weinig mensen erover vallen als je kiest voor hun (zin 2). In de praktijk is het verschil tussen hen en hun steeds meer aan het vervagen. De hen/hun-kwestie speelt bijvoorbeeld in de volgende zinnen:
In deze zinnen vervullen hen en hun de rol van indirect object of meewerkend voorwerp. De correcte vorm van het indirect object is hun. Zin 2 is dus de beste keus in dit geval.
Maar: wanneer er een voorzetsel of prepositie voor het indirect object staat, dan verandert hun alsnog in hen:
Ook hier zie je in de praktijk dat er voor hun of aan hun wordt gebruikt, zeker in de spreektaal. Hoewel er dus officiële regels bestaan voor het gebruik van hun en hen, is de praktijk dat ze door elkaar worden gebruikt. Daardoor is het vaak verwarrend om ze correct te gebruiken. Heel vaak kun je ook ze gebruiken: Zij heeft ze het adres gevraagd. Dat klinkt iets informeler, maar is wel correct. Er is één geval waarin je zeker moet opletten met het gebruik van hun:
In deze zin staat hun op de plaats van het subject of onderwerp. Hoewel ook deze zin door veel Nederlanders goedgekeurd zal worden, moet je het gebruik van hun als subject vermijden in schrijftaal.
Jij en je betekenen hetzelfde, maar zijn niet geheel inwisselbaar:
Deze regel geldt natuurlijk ook voor andere voornaamwoorden, zoals ze en zij. Soms wordt gedacht dat dit te maken heeft met een onderscheid tussen zaken en personen, maar dat is incorrect.
Herken je de fout?
Je moet in deze zinnen dus telkens het woordje je gebruiken in plaats van jij:
Als je een voorzetsel met een voornaamwoord wilt gebruiken, moet je geen voorzetsel + het, deze/dit of die/dat gebruiken, maar er, hier, daar of waar + voorzetsel. Ingewikkeld? Kijk maar naar de voorbeelden.
Herken je de fout?
De combinaties van voorzetsel en voornaamwoord zijn niet correct gebruikt. Het moet zijn:
Wanneer je graag langere zinnen formuleert, moet je voorkomen dat die zinnen ontsporen. Dat kan bijvoorbeeld door bij elkaar te zetten wat bij elkaar hoort. Let verder op bij samentrekkingen en wees alert bij beknopte bijzinnen. Controleer deze lange zinnen zorgvuldig op grammaticale correctheid. Dat doe je bijvoorbeeld door ze hardop te lezen.
Lange zinnen zijn vaak samengestelde zinnen, bestaande uit hoofdzinnen en/of bijzinnen. Hoofdzinnen kun je los van elkaar gebruiken of samenstellen met een voegwoord. Bijzinnen kunnen niet op zichzelf staan en zijn altijd gecombineerd met een hoofdzin.
Bij lange zinnen loop je eerder het risico dat je de zin niet correct afmaakt, bijvoorbeeld omdat je niet consequent voor één grammaticale vorm kiest. Dan krijg je een ontspoorde zin. Bij zin 1 staat de persoonsvorm (werd) in het enkelvoud omdat het subject (het hele museum) in het enkelvoud staat. Twee andere subjecten (de doelstellingen en tijdelijke tentoonstellingszalen) in de zin staan echter in het meervoud. Daarom moet werden worden toegevoegd, zoals in zin 2.
Ook in het volgende voorbeeld vind je duidelijk een ontspoorde zin (zin 1). Halverwege de zin schakelt de schrijver over op een andere constructie. Achter het woordje om verwachten we een zinsdeel met te: om probleemjongeren (…) klaar te stomen. Dat gebeurt wel in de correcte zin 2.
In (te) lange zinnen zet je zinsdelen die bij elkaar horen, soms te ver uit elkaar. Dit heet een tangconstructie. Zulke zinnen zijn lastig voor de lezer. Bovendien maak je er snel fouten mee.
Zin 1 is moeilijk te lezen omdat er in de eerste bijzin (dat het bijna onmogelijk is) een andere bijzin (omdat spelling en uitspraak zoveel van elkaar verschillen) is geplaatst. Blijkbaar is de schrijver halverwege de zin vergeten om de eerste bijzin af te maken. Het werkwoord (is) is hierdoor op de verkeerde plaats terechtgekomen.
Door bij elkaar te zetten wat bij elkaar hoort, is zin 2 niet alleen makkelijker te lezen, maar ook makkelijker te schrijven – en daardoor wel correct. Nog leesbaarder wordt de zin als je deze in tweeën hakt en meer leestekens gebruikt (zin 3).
Bij samentrekkingen mag je woorden of woordgroepen die twee keer in de zin voorkomen, één keer weglaten, bijvoorbeeld: Ik drink liever rode (-) dan witte wijn en De meeste scholieren lezen liever Engelse boeken dan Franse (-).
Je moet er dan wel op letten dat de weggelaten woorden in vorm, betekenis of grammaticale functie identiek zijn. Als je dit moeilijk vindt, kan het helpen om extra op te letten zodra je zinnen met en aan elkaar verbindt.
Een identieke vorm
De samentrekking in zin 1 is fout omdat het onderwerp de eerste keer in het meervoud staat en de tweede keer in het enkelvoud. De persoonsvorm werden moet in het tweede deel van de zin dus in het enkelvoud staan, zoals in zin 2.
Een identieke betekenis
De samentrekking in zin 1 is fout omdat gadeslaan een ander werkwoord is dan op iets of iemand slaan. Dat laatste werkwoord moet je dus uitschrijven, zoals in zin 2.
Een identieke grammaticale functie
De samentrekking in zin 1 is fout omdat hun kinderen in het eerste deel van de zin lijdend voorwerp (object) is en in het tweede deel van de zin onderwerp (subject). Je moet hun kinderen dus herhalen of duidelijk naar ze verwijzen, zoals in zin 2.
In een beknopte bijzin is het onderwerp (subject) weggelaten. Dit zogenaamde ‘verzwegen subject’ moet wel hetzelfde zijn als het onderwerp in de hoofdzin. Doe je dat niet, dan is je zin ongrammaticaal.
In de beknopte bijzin van zin 1 (Na ondertekend te zijn) zijn de contracten het subject, maar in de hoofdzin is wij het subject. Het subject van de hoofdzin en de bijzin komen dus niet overeen en daardoor is de zin niet correct. Je kunt de zin eenvoudig corrigeren, bijvoorbeeld zoals in zin 2.
Met verwijswoorden verwijs je naar een woord of woordgroep. Verwijs je in een bijzin naar een concreet het-woord (onzijdig), dan gebruik je dat; bij concrete de-woorden (mannelijk of vrouwelijk) gebruik je die. In andere gevallen met een bijzin heeft wat de voorkeur.
Verwijswoorden zijn woorden als: hem, haar, die, dit, deze, waar, daar, ervan, erop, daarin, zo’n. Je gebruikt ze om te verwijzen naar een persoon, zaak of gebeurtenis die je eerder hebt beschreven. Gebruik alleen verwijswoorden als duidelijk is waarnaar je verwijst. Verwijs niet naar iets dat meer dan een zin terug genoemd wordt. Zorg er ook voor dat je de correcte verwijswoorden gebruikt.
Het is belangrijk dat je het correcte verwijswoord kiest. Naar de-woorden verwijzen we met hij, hem, die, deze en dezelfde. Naar het-woorden verwijzen we met het, dit, dat en hetzelfde. Dus:
Bij het kiezen van het juiste verwijswoord worden de volgende fouten regelmatig gemaakt:
Zin 1 is fout, zin 2 is juist: het is het managementteam en naar het-woorden verwijzen we in principe met zijn. Alleen als heel duidelijk is dat het het-woord naar iemand van het vrouwelijk geslacht verwijst, gebruik je haar. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is: het meisje en haar vrienden.
Een aparte categorie verwijzingen vormen dus de woorden die gebruikt worden voor een organisatie, een instelling of een vereniging.
Zijn dit vrouwelijke woorden, dan gebruiken we zij of haar om te verwijzen (zin 1). Bij een mannelijk woord gebruiken we hij, hem of zijn (zin 2). Of een woord mannelijk of vrouwelijk is, kun je in het Nederlands niet meer zien, maar je kunt dit opzoeken op Woordenlijst.org.
Gaat het om een onzijdig woord, dan gebruiken we het of zijn (zin 3).
Na het gebruik van alles, niets, iets en het enige gebruik je in principe wat in plaats van dat, omdat het om iets onbepaalds gaat (zin 1). Het is echter niet fout om dat te gebruiken (zin 2). Wees vooral consequent in een tekst.
Ook bij het gebruik van de superlatief of overtreffende trap (het mooiste, het grootste) ligt de voorkeur bij wat, maar is dat zeker niet fout. Hier geldt dus wederom: maak een keuze en blijf erbij.
De volgende zinnen zijn eveneens allebei goed, maar wel afhankelijk van wat je bedoelt te zeggen. Als je verwijst naar een leuk boek, dan is zin 1 correct; je verwijst naar iets bepaalds.
Wil je aangeven dat hij het geven van het boek leuk vond, dan moet je zin 2 gebruiken; wat gebruik je ook om te verwijzen naar een hele (bij)zin.
De oorspronkelijke regel luidt dat je naar personen verwijst met de prepositie (op) + wie. Naar dingen en zaken verwijs je met waar + prepositie. In de praktijk zie je dat zowel in spreektaal als in schrijftaal de eerste variant waarop wordt gebruikt, maar veel mensen blijven het beleefder vinden om op wie te gebruiken.
Kijk naar het lidwoord om het juiste woord te kiezen. Is het lidwoord de of het?
Dit geldt alleen voor substantieven in het enkelvoud.
| De-woord | Het-woord |
|---|---|
| De machine | Het apparaat |
| Deze machine | Dit apparaat |
| Welke machine? | Welk apparaat? |
| Elke machine | Elk apparaat |
| Onze machine | Ons apparaat |
Ken jij je verwijswoorden? Vul de zinnen telkens aan met het juiste verwijswoord.
Vergelijkingen herken je onder andere aan het gebruik van als of dan. Met 'als' druk je een gelijkheid uit, met 'dan' een ongelijkheid. Bij die laatste gebruik je dan -er voor comparatieven en -st(e) voor superlatieven.
Of je als of dan gebruikt, hangt af van het soort vergelijking dat je gebruikt. Is er een verschil bij een vergelijking, dan gebruiken we dan. Als gebruik je wanneer de twee delen die je vergelijkt hetzelfde zijn. Zin 2 correct. Overigens wordt zin 1 steeds minder vaak als incorrect beschouwd, zeker in spreektaal.
Als je niet zeker weet welk persoonlijk voornaamwoord je achter als of dan moet zetten, maak de zin dan af:
Door de invloed van het Engels komen de onderstaande zinnen regelmatig voor:
In principe is de regel bij het vormen van vergelijkingen:
bij de comparatief: adjectief + -er: mooier, groter, leuker, interessanter
bij de superlatief: adjectief + -ste: mooiste, grootste, leukste, interessantste
Gebruik daarom liever:
Als het adjectief eindigt op -st, -s, -isch, -sk of -de wordt de vorm van de superlatief wel gevormd met meest:
Soms kan de keuze tussen niet of geen lastig zijn. Het gaat erom of dat wat je ontkent, bepaald is of niet.
In het volgende voorbeeld is zin 1 de correcte zin, want je wilt hier Nederlands ontkennen. Nederlands is een onbepaald substantief. Onbepaalde substantieven ontken je door er geen voor te zetten. Alle andere woordsoorten maak je ontkennend met niet.
In een zin staat altijd minstens één werkwoord. Daarbij moet je bijvoorbeeld letten op de juiste werkwoordstijd en de juiste plek in de zin. Dat maakt werkwoorden een complex onderwerp.
In het Nederlands heb je verschillende werkwoordstijden. De meest voorkomende zijn de tegenwoordige tijd (praesens), de verleden tijd (imperfectum) en de voltooide tijd (perfectum). Ook de toekomende tijd (futurum) wordt vaak gebruikt in teksten. De vraag is dus: hoe verwijs je heden, verleden en toekomst, en wat is de passieve vorm?
In het Nederlands kunnen werkwoorden op verschillende plekken in de zin staan. In een bijzin komt de persoonsvorm bijvoorbeeld achterin de zin. Je moet dus weten wat de plaats van de persoonsvorm in de hoofdzin en in bijzinnen is. En wat doe je met twee werkwoorden in een zin, of zelfs meer dan twee werkwoorden in de zin?
Ook heb je soms te maken met onregelmatige werkwoorden: werkwoorden met een klinkerwisseling in perfectum en/of imperfectum. Ook kun je reflexieve werkwoorden (woorden met een vorm van 'zich') en scheidbare werkwoorden tegenkomen in teksten.
In een aantal gevallen gebruik je 'er' om de zin compleet te maken. Het woord heeft geen nadruk, dus je moet goed luisteren om het te horen. Er zijn enkele regels, maar het komt vooral aan op veel oefenen en lezen. Kort samengevat zijn dit de regels voor het gebruik van er:
Als je er gebruikt in combinatie met een locatie of prepositie, kun je het vervangen door daar. Bijvoorbeeld:
Je kunt er gebruiken in combinatie met een telwoord als het duidelijk is waarnaar je verwijst. Bijvoorbeeld:
Een indefiniet subject introduceert de plaatsbepaling van het substantief (onderwerp). Met er kondig je dan vaak een nieuw onderwerp aan. Bijvoorbeeld:
Er zijn genoeg mensen hier.
Er is een ijswinkel in de stad.
Een passieve zin kan beginnen met er: er wordt en er worden. Andere bekende vaste combinaties zijn er is en er zijn. Bijvoorbeeld:
Er wordt hard gewerkt hier.
Er is een kans op regen.
In een aantal uitdrukkingen wordt er gebruikt. Zonder er is zo’n uitdrukking niet compleet. Bijvoorbeeld:
Hij ziet er gezond uit. (eruitzien)
Ervandoor gaan: Ze ging er snel vandoor. (ervandoor gaan)
De student kreeg ervan langs. (ervan langs krijgen)
Dat komt ervan, als je niet op tijd bent. (ervan komen)
Ik ging er even tussenuit voor ik weer begon. (ertussenuit gaan)
Je kunt ervan uitgaan dat er morgen sneeuw ligt. (ervan uitgaan)
Je kunt er ook te veel gebruiken. Vooral bij zinnen die beginnen met een plaatsbepaling is er meestal niet nodig. Er zijn ook enkele andere voorbeelden waarbij je er kunt weglaten, maar dat is ook voor veel moedertaalsprekers lastig te bepalen. Bijvoorbeeld:
Weet jij wanneer je 'er' moet gebruiken?
Je gebruikt 'het' in een aantal uitdrukkingen 'het'. Zonder 'het' is de uitdrukking niet compleet. Hier vind je een aantal uitdrukkingen waarin het wordt gebruikt:
Het heeft in deze zinnen geen nadruk. Je moet dus goed luisteren om het te horen. Zeker in spreektaal wordt het vaak afgekort tot 't:
Weet jij wanneer je 'het' moet gebruiken in uitdrukkingen?