Taal en stijl: grammatica
De meeste werkwoorden zijn zelfstandige werkwoorden; ze kunnen zonder ander werkwoord in de zin staan: doen, spreken, opstaan, geloven, bespreken, zich schamen.
Zelfstandige werkwoorden waarbij een lijdend voorwerp (direct object) gebruikt kan worden, zijn transitief; zelfstandige werkwoorden waarbij geen direct object gebruikt kan worden, noemen we intransitief.
Er zijn verder vier soorten hulpwerkwoorden:
De onbepaalde wijs of infinitief is de onverbogen vorm van het werkwoord. Het is de vorm van het werkwoord waaronder je het in het woordenboek kunt vinden. Een infinitief verandert niet als je het onderwerp verandert door het in het enkelvoud of meervoud te zetten. Er kunnen meerdere infinitieven in een zin voorkomen. Daarnaast kan een werkwoord in verschillende tijden staan. Dit zijn de meest voorkomende:
Een bijzondere categorie werkwoorden zijn de zogenaamde samengestelde werkwoorden. Er zijn scheidbare en onscheidbare samengestelde werkwoorden.
Bij onscheidbare werkwoorden mogen de delen niet uit elkaar gehaald worden. Het is dus niet stofgezuigd of stofgezogen, maar gestofzuigd. De verleden tijd is hij stofzuigde en het voltooid deelwoord is gestofzuigd. Het is dus niet: ik zuig stof, maar ik stofzuig. En omdat het een relatief nieuw werkwoord is, wordt het zwak vervoegd. Het is dus niet ik stofzoog, maar: ik stofzuigde.
Hetzelfde geldt voor werkwoorden als: zweefvliegen (ik zweefvlieg, ik zweefvliegde, ik heb gezweefvliegd), beeldhouwen (ik beeldhouw, ik beeldhouwde, ik heb gebeeldhouwd) en glimlachen (ik glimlach, ik glimlachte, ik heb geglimlacht). Deze werkwoorden worden dus gewoon vervoegd.
Een zelfstandig naamwoord (substantief) duidt een ding, zaak of toestand aan (en er kan bijna altijd een lidwoord bij). Voorbeelden van substantieven zijn: huis, kat, auto, emmer, liefde, geregel, notulen, Jan, Spanje.
Voor de meeste substantieven kun je een lidwoord zetten: het huis, de kat, een brief, de brieven, het Spanje (van Franco).
De meeste substantieven kun je in het enkelvoud en meervoud gebruiken. Dat zijn de zogenaamde telbare substantieven (1, 2, 3 en 4). Sommige substantieven zijn niet-telbaar en komen alleen voor in het enkelvoud of alleen in het meervoud (5 en 6).
Je kunt van twee of drie woorden één woord maken. Je krijgt dan een samenstelling. Bij de samenstelling moet je letten op de volgende punten:
Lidwoorden (artikelen) zijn woorden die voor een zelfstandig naamwoord staan. In het Nederlands zijn er drie lidwoorden: de, het en een. Het en een zijn altijd enkelvoud, de kan zowel enkelvoud als meervoud zijn.
De en het zijn bepaalde lidwoorden. Als je de fietsen of het werk gebruikt, ga je er vanuit dat de luisteraar of lezer direct begrijpt over welke fietsen of welk werk het gaat. Een is een onbepaald lidwoord. Als je zegt dat je een film wilt zien, ga je er vanuit dat de lezer of luisteraar niet weet over welke film het gaat (en jijzelf misschien ook nog niet). Soms kun je het lidwoord weglaten; het gaat dan vaak over een concept, ofwel iets wat je niet kunt vastpakken.
Je gebruikt een bepaald lidwoord, dus de of het bij geografische begrippen, bij namen van:
Je gebruikt daarentegen geen lidwoord bij:
Het lidwoord (de of het) ontbrak telkens. Geografische begrippen als straatnamen, rivieren, bergen krijgen altijd een lidwoord:
Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord. Voorbeelden van adjectieven zijn: mooi, interessant, rood. Er zijn verschillende soorten adjectieven, in te delen naar gebruik. Bijzonder aan adjectieven is dat ze vervoegd kunnen worden.
Adjectieven staan heel vaak voor een substantief; dit heet attributief gebruik van het adjectief. Adjectieven kunnen ook predicatief gebruikt worden in het naamwoordelijk deel van het gezegde; dit heet predicatief gebruik van het adjectief.
Adjectieven kunnen ook adverbiaal gebruikt worden. Een bijwoord of adverbium geeft informatie over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. Een bijwoord kun je niet vervoegen.
Adjectieven veranderen van vorm in de comparatief en superlatief:
Het adjectief (bijvoeglijk naamwoord) heeft vaak een -e als het voor een substantief (zelfstandig naamwoord) staat. Maar bij de enkelvoudsvorm van een het-woord dat onbepaald gebruikt wordt, komt er geen –e. Bijvoorbeeld:
| Met buigings-e | Zonder buigings-e |
|---|---|
| lekkere koffie (want: de koffie) | lekker bier (want: het bier) |
|
het leuke verhaal |
een leuk verhaal |
| een mooie bank de mooie bank de mooie banken |
De regel van de vorm van het adjectief is lastig te leren. Je gebruikt een adjectief zonder -e als er van de volgende twee zaken sprake is:
Leer een paar vaste combinaties van substantief en adjectief, bijvoorbeeld: een duur huis, een nieuwe computer, prachtig weer.
Herken je de fout?
In deze zinnen gebruik je geen -e, want het zijn het-woorden die onbepaald gebruikt worden. Correct is dus:
Voorzetsels (preposities) geven de relatie aan tussen twee elementen in de zin. Voorzetsels zijn bijna altijd onderdeel van een woordgroep waarin het hoofdwoord een zelfstandig naamwoord is. Voorbeelden van preposities zijn: op, in, voor, naast, zonder, tijdens, door.
Een voornaamwoord verwijst naar mensen, dieren of dingen, zonder ze te noemen. Voornaamwoorden komen dus in plaats van een subject. Er zijn acht soorten voornaamwoorden:
Je kunt iets toevoegen aan een woord, aan het begin of aan het einde ervan. Dat noem je een afleiding of derivatie. Bij de afleiding moet je op de volgende dingen letten:
Is de woordsoort veranderd? Zo kan een adjectief (handig) veranderen in een substantief (de handigheid). Een werkwoord (innoveren) kan veranderen in een substantief (de innovatie). Een substantief (de regen) kan veranderen in een adjectief (regenachtig). Verandering van woordsoort heeft consequenties voor het gebruik van de woorden in de zin.
Het is niet mogelijk vrij te experimenteren met woordvormen. Als je niet zeker weet of de vorm juist is, zul je die moeten controleren in het woordenboek.