Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Er zijn verschillende woordsoorten in een zin. Elke woordsoort heeft een eigen functie. Bekende woordsoorten zijn het zelfstandig naamwoord (substantief) en het werkwoord (verbum).
Woordensoorten
  • Werkwoord (verbum)

    Soorten werkwoorden

    De meeste werkwoorden zijn zelfstandige werkwoorden; ze kunnen zonder ander werkwoord in de zin staan: doen, spreken, opstaan, geloven, bespreken, zich schamen.

    Zelfstandige werkwoorden waarbij een lijdend voorwerp (direct object) gebruikt kan worden, zijn transitief; zelfstandige werkwoorden waarbij geen direct object gebruikt kan worden, noemen we intransitief.

    Er zijn verder vier soorten hulpwerkwoorden:

    • Hebben en zijn zijn hulpwerkwoorden van tijd.
    • Moetenmogenkunnenwillenhoeven en zullen noemen we modale hulpwerkwoorden.
    • Zijn, worden en blijven zijn koppelwerkwoorden in een naamwoordelijk gezegde.
    • Zijn en worden gebruik je als hulpwerkwoorden als een zin in de lijdende vorm of passief staat.

    Werkwoordstijden

    De onbepaalde wijs of infinitief is de onverbogen vorm van het werkwoord. Het is de vorm van het werkwoord waaronder je het in het woordenboek kunt vinden. Een infinitief verandert niet als je het onderwerp verandert door het in het enkelvoud of meervoud te zetten. Er kunnen meerdere infinitieven in een zin voorkomen. Daarnaast kan een werkwoord in verschillende tijden staan. Dit zijn de meest voorkomende:

    • Een werkwoord staat in de tegenwoordige tijd (praesens) als iets (min of meer) gebeurt terwijl je het leest.
    • Een werkwoord in de verleden tijd (imperfectum) geeft aan dat een handeling zich in het verleden afspeelde.
    • De voltooide tijd (perfectum) heeft een hulpwerkwoord (hebben, zijn of worden) nodig en een voltooid deelwoord.
    • Bij de toekomende tijd (futurum) geeft het hulpwerkwoord aan dat iets nog moet gebeuren (in de toekomst).

    Samengestelde werkwoorden

    Een bijzondere categorie werkwoorden zijn de zogenaamde samengestelde werkwoorden. Er zijn scheidbare en onscheidbare samengestelde werkwoorden.

    Bij onscheidbare werkwoorden mogen de delen niet uit elkaar gehaald worden. Het is dus niet stofgezuigd of stofgezogen, maar gestofzuigd. De verleden tijd is hij stofzuigde en het voltooid deelwoord is gestofzuigd. Het is dus niet: ik zuig stof, maar ik stofzuig. En omdat het een relatief nieuw werkwoord is, wordt het zwak vervoegd. Het is dus niet ik stofzoog, maar: ik stofzuigde.

    Hetzelfde geldt voor werkwoorden als: zweefvliegen (ik zweefvlieg, ik zweefvliegde, ik heb gezweefvliegd), beeldhouwen (ik beeldhouw, ik beeldhouwde, ik heb gebeeldhouwd) en glimlachen (ik glimlach, ik glimlachte, ik heb geglimlacht). Deze werkwoorden worden dus gewoon vervoegd.

  • Zelfstandig naamwoord (substantief)

    Een zelfstandig naamwoord (substantief) duidt een ding, zaak of toestand aan (en er kan bijna altijd een lidwoord bij). Voorbeelden van substantieven zijn: huis, kat, auto, emmer, liefde, geregel, notulen, Jan, Spanje.
    Voor de meeste substantieven kun je een lidwoord zetten: het huis, de kat, een brief, de brieven, het Spanje (van Franco).

    Telbare en niet-telbare substantieven

    De meeste substantieven kun je in het enkelvoud en meervoud gebruiken. Dat zijn de zogenaamde telbare substantieven (1, 2, 3 en 4). Sommige substantieven zijn niet-telbaar en komen alleen voor in het enkelvoud of alleen in het meervoud (5 en 6).

    Samenstellingen

    Je kunt van twee of drie woorden één woord maken. Je krijgt dan een samenstelling. Bij de samenstelling moet je letten op de volgende punten:

    • Schrijf de woorden altijd aan elkaar (boekenkast, studiefinanciering).
    • Gebruik waar nodig de tussenletters -en (boekenkast) of de tussenletter -e (aspirinefabriek).
    • Gebruik waar nodig de tussenletter -(bedrijfscorrespondentie).
    • Gebruik waar nodig een koppelteken (hotel-restaurant).
  • Lidwoord (artikel)

    Lidwoorden (artikelen) zijn woorden die voor een zelfstandig naamwoord staan. In het Nederlands zijn er drie lidwoorden: de, het en een. Het en een zijn altijd enkelvoud, de kan zowel enkelvoud als meervoud zijn.

    Bepaald of onbepaald

    De en het zijn bepaalde lidwoorden. Als je de fietsen of het werk gebruikt, ga je er vanuit dat de luisteraar of lezer direct begrijpt over welke fietsen of welk werk het gaat. Een is een onbepaald lidwoord. Als je zegt dat je een film wilt zien, ga je er vanuit dat de lezer of luisteraar niet weet over welke film het gaat (en jijzelf misschien ook nog niet). Soms kun je het lidwoord weglaten; het gaat dan vaak over een concept, ofwel iets wat je niet kunt vastpakken.

    Geografische begrippen

    Je gebruikt een bepaald lidwoord, dus de of het bij geografische begrippen, bij namen van:

    • wegen, straten, pleinen, grachten;
    • rivieren, kanalen, zeeën, meren, plassen;
    • bergen, bossen en parken.

    Je gebruikt daarentegen geen lidwoord bij:

    • eigennamen;
    • werelddelen, landen, provincies, steden en dorpen.

    Herken je de fout?

    1. Wij hebben jarenlang op Vrijheidslaan in Amsterdam gewoond.
    2. Je kan het beste via A10 rijden.
    3. Ik liep via Rokin naar Dam.
    4. Zaltbommel ligt aan Waal.
    5. De hoogste ‘berg’ in Nederland is Cauberg.

    Het lidwoord (de of het) ontbrak telkens. Geografische begrippen als straatnamen, rivieren, bergen krijgen altijd een lidwoord:

    1. Wij hebben jarenlang op de Vrijheidslaan in Amsterdam gewoond.
    2. Je kan het beste via de A10 rijden.
    3. Ik liep via het Rokin naar de Dam.
    4. Zaltbommel ligt aan de Waal.
    5. De hoogste ‘berg’ in Nederland is de Cauberg.
  • Bijvoeglijk naamwoord (adjectief)

    Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord. Voorbeelden van adjectieven zijn: mooi, interessant, rood. Er zijn verschillende soorten adjectieven, in te delen naar gebruik. Bijzonder aan adjectieven is dat ze vervoegd kunnen worden.

    Attributief, predicatief of adverbiaal gebruik

    Adjectieven staan heel vaak voor een substantief; dit heet attributief gebruik van het adjectief. Adjectieven kunnen ook predicatief gebruikt worden in het naamwoordelijk deel van het gezegde; dit heet predicatief gebruik van het adjectief.

    Adjectieven kunnen ook adverbiaal gebruikt worden. Een bijwoord of adverbium geeft informatie over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. Een bijwoord kun je niet vervoegen.

    Comparatief en superlatief

    Adjectieven veranderen van vorm in de comparatief en superlatief:

    Vervoeging van adjectieven

    Het adjectief (bijvoeglijk naamwoord) heeft vaak een -e als het voor een substantief (zelfstandig naamwoord) staat. Maar bij de enkelvoudsvorm van een het-woord dat onbepaald gebruikt wordt, komt er geen –e. Bijvoorbeeld:

    Met buigings-e Zonder buigings-e
    lekkere koffie (want: de koffie) lekker bier (want: het bier)

    het leuke verhaal
    de leuke verhalen

    een leuk verhaal

    een mooie bank
    de mooie bank
    de mooie banken
     

    De regel van de vorm van het adjectief is lastig te leren. Je gebruikt een adjectief zonder -e als er van de volgende twee zaken sprake is:

    1. Het adjectief hoort bij een onbepaald gebruikt substantief (bijvoorbeeld: een eiland), én
    2. Het substantief is een het-woord (bijvoorbeeld: het eiland). Je krijgt dan: een groot eiland.

    Leer een paar vaste combinaties van substantief en adjectief, bijvoorbeeld: een duur huis, een nieuwe computer, prachtig weer.

    Herken je de fout?

    1. Mijn zus is een zeer slimme meisje. Op de basisschool heeft ze twee klassen overgeslagen.
    2. Het Muiderslot is een prachtige middeleeuwse kasteel. Heb je het wel eens bezocht?
    3. Alle medewerkers hadden een andere inzicht dan de directeur, maar de directeur besliste.

    In deze zinnen gebruik je geen -e, want het zijn het-woorden die onbepaald gebruikt worden. Correct is dus:

    1. Mijn zus is een zeer slim meisje. ...
    2. Het Muiderslot is een prachtig middeleeuws kasteel. ...
    3. De medewerker had een ander inzicht dan de directeur ...
  • Voorzetsel (prepositie)

    Voorzetsels (preposities) geven de relatie aan tussen twee elementen in de zin. Voorzetsels zijn bijna altijd onderdeel van een woordgroep waarin het hoofdwoord een zelfstandig naamwoord is.  Voorbeelden van preposities zijn: op, in, voor, naast, zonder, tijdens, door.

  • Voornaamwoord (pronomen)

    Een voornaamwoord verwijst naar mensen, dieren of dingen, zonder ze te noemen. Voornaamwoorden komen dus in plaats van een subject. Er zijn acht soorten voornaamwoorden:

    • persoonlijk voornaamwoord (pronomen personale): ik, mij, zij, jullie, het, 'm
    • bezittelijk voornaamwoord (possessief pronomen): mijn, jouw, d’r, onze
    • aanwijzend voornaamwoord (demonstratief pronomen): deze, die, dit, dat, zo’n
    • vragend voornaamwoord (interrogatief pronomen): wie, wat, welke, wat voor een
    • betrekkelijk voornaamwoord (relatief pronomen): die, dat, wie, wat, wiens
    • onbepaald voornaamwoord (indefiniet pronomen): iemand, niemand, iets, niets, alle, iedereen
    • wederkerend voornaamwoord (reflexief pronomen): me, je, u, zich, ons, zichzelf, jezelf
    • wederkerig voornaamwoord (reciproque pronomen): elkaar, mekaar
  • Afleiding (derivatie)

    Je kunt iets toevoegen aan een woord, aan het begin of aan het einde ervan. Dat noem je een afleiding of derivatie. Bij de afleiding moet je op de volgende dingen letten:

    • Is toevoeging van be-, her-, ver- of ont- voor het woord toegestaan?
    • Is toevoeging van -baar, -ing, -loos, -achtig, -elijk of -vaardig achter het woord toegestaan?

    Is de woordsoort veranderd? Zo kan een adjectief (handig) veranderen in een substantief (de handigheid). Een werkwoord (innoveren) kan veranderen in een substantief (de innovatie). Een substantief (de regen) kan veranderen in een adjectief (regenachtig). Verandering van woordsoort heeft consequenties voor het gebruik van de woorden in de zin.
    Het is niet mogelijk vrij te experimenteren met woordvormen. Als je niet zeker weet of de vorm juist is, zul je die moeten controleren in het woordenboek.