Niet alle werkwoorden zijn meteen logisch. Zo zijn er onregelmatige en reflexieve werkwoorden, maar ook scheidbare en onscheidbare werkwoorden. Herken jij de bijzondere werkwoorden, bijvoorbeeld onregelmatige of scheidbare werkwoorden? Ontdek het met deze oefening.
In een zin moeten onderwerp en persoonsvorm altijd overeenkomen. Doe je dat niet, dan heb je te maken met incongruentie in je zin. Er zijn enkele twijfelgevallen waarbij niet meteen duidelijk is of je met een enkelvoud of meervoud te maken hebt.
Weet jij wanneer welke persoonsvorm correct is? Ontdek het met deze oefening.
Je gebruikt 'er' in een aantal gevallen en uitdrukkingen. Zonder 'er' is de zin niet compleet. Weet jij wanneer je 'er' gebruikt? Ontdek het met deze oefening.
Je gebruikt 'het' in een aantal uitdrukkingen 'het'. Zonder 'het' is de uitdrukking niet compleet. Weet jij wanneer je 'het' gebruikt in uitdrukkingen? Ontdek het met deze oefening.
In het Nederlands kunnen werkwoorden op verschillende plekken in de zin staan. In een bijzin komt de persoonsvorm bijvoorbeeld achterin de zin; in de hoofdzin komt deze juist op de tweede plek.
Herken jij je hoofd- en bijzinnen en weet jij dus waar de persoonsvorm hoort? Ontdek het met deze oefening.
De grammaticaregels bepalen de structuur van je woorden en zinnen. Een goed geconstrueerde zin draagt bij aan het begrip van je tekst. Er zijn van die grammaticafouten die je overal weer tegenkomt. Check de top 10 van veelgemaakte grammaticafouten en ontdek waar je op kunt letten.
Met verwijswoorden verwijs je naar een woord of woordgroep. Verwijs je naar een concreet het-woord, dan gebruik je dat; bij concrete de-woorden gebruik je die. Zo zijn er meer regels die handig zijn om te kennen. Weet jij welk verwijswoord correct is? Ontdek het met deze oefening.
Bekende grammaticakwesties zijn: de correcte voornaamwoorden en verwijswoorden kiezen, de juiste persoonsvorm en overige werkwoorden vinden, een goede zinsbouw gebruiken, de beste vergelijkingen maken en onterechte ontkenningen vermijden en het gebruik van er en het. Bij grammatica zijn delen van je zin goed óf fout. Met deze test check je je kennis van grammaticakwesties.
Er zijn verschillende woordsoorten in een zin. Elke woordsoort heeft een eigen functie. Bekende woordsoorten zijn het zelfstandig naamwoord (substantief) en het werkwoord (verbum).
Woorden hebben bovendien een verschillende functie in de zin. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de persoonsvorm (verbum finitum) of het subject (onderwerp).
Om grammatica goed te begrijpen is het noodzakelijk dat je enige kennis van grammaticale termen hebt. Met deze test check je of je kennis van woordsoorten en zinsontleding voldoende is.