Testen
Probeer zelf een centrale vraag te formuleren, aan de hand van deze oefening. Je zoekt eerst het domein en de variabelen in een eerste versie van een onderzoeksvraag. Vervolgens formuleer je een tweede (preciezere) versie daarvan, waarbij je de richtlijnen in je achterhoofd houdt.
Het belangrijkste bij een centrale vraag is dat die zo precies mogelijk is. Daarvoor is het belangrijk dat je weet uit welke onderdelen je vraag bestaat. Meestal zijn dat er drie:
Soms heeft je vraag geen variabelen, dus dan is er alleen een domein. Dit komt vooral voor bij beschrijvende vragen, waarvoor je alleen literatuuronderzoek doet.
Herken jij de goede titels en zie jij welke criteria er missen bij de slechte(re)? Een goede titel is:
Deze eisen gelden zowel voor de hoofdtitel als de titels van hoofdstukken en paragrafen.
Sommige fouten worden vaker gemaakt dan andere. Check de top 10 van veelgemaakte taalfouten en ontdek waar je op kunt letten.
Bij taal denken mensen vaak meteen aan spelling, misschien ook aan grammatica – zeker als Nederlands niet je eerste taal is (NT2). Het gaat echter ook om woordenschat en stijlkwesties.
Met deze test kun je nagaan wat de sterke en zwakke kanten zijn van je schrijfvaardigheid. Je krijgt 45 vragen die verdeeld zijn over zeven categorieën. Je geeft per deelvaardigheid aan hoe je daarop scoort. Vervolgens krijg je feedback en Taalwinkeltips.
Check in de test op welke categorieën jij al goed scoort en waarin jij jezelf nog kunt ontwikkelen. Hier vind je diverse tips per categorie.
Schrijven is een complexe taak: je moet inhoud bedenken, informatie logisch ordenen, de juiste schrijfstijl en correct taalgebruik hanteren en ga zo maar door. Als je dat allemaal tegelijk wilt doen of op het laatste nippertje, raakt je brein overbelast. Zorg dus voor een goede planning, waardoor je alle stappen uit het proces de nodige aandacht kunt geven. Dit maakt de klus overzichtelijker waardoor je minder snel in paniek raakt en schrijven misschien minder vervelend gaat vinden.
Wees zorgvuldig in het weergeven van de gelezen informatie en onderbouw wat je beweert. Zorg dat je weet hoe je literatuur verwerkt en voorkom plagiaat, of lees meer over argumentatie. Besteed veel tijd aan het zorgvuldig kiezen van je onderwerp en centrale vraag en vraag je begeleider daarbij om advies.
Een gebrek aan samenhang kan komen door een gebrek aan kennis. Een andere oorzaak kan je manier van werken zijn: je begint dan waarschijnlijk te snel met schrijven, zonder duidelijk voor ogen te hebben waar je heen wilt. Maak daarom eerst een tekstschema. Misschien ligt structureren niet in je aard; vraag dan vooraf altijd feedback aan je begeleider op de opzet die je hebt bedacht. Er kan nu nog van alles verschoven en veranderd worden. Ben je eenmaal een eind op gang, dan is dat veel lastiger.
Heb je moeite om je gedachten goed te verwoorden? Probeer dan na te gaan wat het probleem exact is. Is je schrijfstijl te populair, te vaag of te oubollig? Het kan ook zijn dat je werkwijze bij het uitschrijven van de tekst niet optimaal is, omdat je te veel naar woorden zoekt of blijft hangen bij de eerste zin.
Ook als je voldoende hebt gescoord, kun je vaak nog wel wat aandacht schenken aan de verbetering van je taalgebruik. Er zijn diverse cursussen die je kunt volgen, maar je kunt ook werken aan je taalvaardigheid met de oefeningen en tips op Taalwinkel.
Is het netjes afwerken van de tekst niet je sterkste kant? Besteed er meer aandacht aan, en zorg ook dat je aan het einde nog wat tijd over hebt om de tekst te controleren op taal-, stijl-, spel- en interpunctiefouten. Laat in ieder geval je tekst altijd door een ander lezen vóór het inleveren, zeker als netjes afwerken niet je sterkste punt is.