Op de titelpagina vermeld je altijd je naam, studentnummer, de titel, de publicatiedatum en andere relevante informatie. Als er meerdere personen aan het onderzoeksverslag hebben gewerkt, dan vermeld je de auteurs op volgorde van bijdrage. Kies voor een titel die informatief en bondig is, maar ook uitnodigend als dat mogelijk is.
Dit is een niet-noodzakelijk tekstonderdeel. Het is een persoonlijk getinte tekst waarin je plezierige of teleurstellende ervaringen kwijt kunt. Het staat niet direct in verband met de inhoud. In het voorwoord kun je mensen bedanken die hebben geholpen bij het tot stand komen van de tekst, aangeven voor wie de tekst geschreven is en waarom.
Een inhoudsopgave dient ervoor de lezer een eerste indruk te geven van de inhoud en de structuur van het verslag. Het maken van de inhoudsopgave is een precisiewerkje. Zorg dat alles klopt en dat het duidelijk en overzichtelijk is.
Een samenvatting is een op zichzelf staand verhaal. In het kort beschrijf je het hele onderzoek: de probleemanalyse, de doelstelling, de centrale vraag en de deelvragen, de opzet van het onderzoek, de resultaten en de belangrijkste conclusies en aanbevelingen.
Het is belangrijk dat je goed de hoofd- en bijzaken kunt scheiden. Je geeft de lezer inzicht in alle hoofdzaken van je scriptie. Alles moet erin staan; op basis van je samenvatting bepalen lezers of het stuk relevant voor hen is. De samenvatting schrijf je nadat je je onderzoek hebt afgerond, maar je plaatst de samenvatting aan het begin van je scriptie.
In dit hoofdstuk ga je in op het (praktijk)vraagstuk en de context ervan. Vaak heeft de inleiding vaste onderdelen. Je benoemt in de inleiding de relevantie van het onderzoek, de probleemanalyse, de doelstelling, de centrale vraag en deelvragen en de opbouw van je scriptie.
Er zijn diverse journalistieke ‘trucs’ die je daarvoor kunt gebruiken:
Tip: Al schrijvende kom je vaak op ideeën hoe je de inleiding kunt beginnen. Noteer die invallen onmiddellijk in een apart document, zodat ze niet verloren gaan. Later kun je ze bekijken op hun bruikbaarheid.
In de aanleiding motiveer je je keus (waarom schrijf je dit verslag en waarom is het onderwerp van belang?). Pas als je een goede probleemanalyse hebt, is het duidelijk welke richting je onderzoek op gaat. Trek de nodige tijd uit voor het formuleren van de probleemanalyse. De doelstelling vloeit voort uit de probleemanalyse die je hebt gemaakt.
Mogelijke aanleidingen zijn:
Het nadenken over de aanleiding dwingt je na te denken over de waarde van je tekst. In wetenschappelijke teksten is het van belang dat je iets nieuws toevoegt aan bestaande kennis en niet herkauwt wat anderen voor je hebben bedacht.
Zorg ervoor dat de aanleiding/motivatie niet persoonlijk is. Vermijd dus formuleringen als: ‘Ik vind het belangrijk om uit te zoeken wat ...’ of ‘Het onderwerp heeft me altijd al geboeid, omdat …’ En vermijd al helemaal: 'Ik moet dit schrijven van mijn docent/voor het vak ...' Bedenk waarom je dit moet schrijven en schrijf die reden op.
Bij een probleemanalyse doe je vooronderzoek om het onderwerp af te bakenen. Dit betekent dat je keuzes maakt aangezien je niet alles kunt onderzoeken: je bepaalt wat je wel en niet meeneemt in je onderzoek. Dit is je rode draad, je focus.
Je opdrachtgever heeft een probleem (of een vraag/wens): er is sprake van een probleem als de actuele en de gewenste situatie niet met elkaar overeenkomen. Het is jouw taak om een oplossing voor het probleem te vinden. Je bedenkt daarom allereerst waarom en voor wie het een probleem is. Hiermee maak je het probleem inzichtelijk; je verdiept je in het probleem. Je brengt als het ware de achtergronden van het probleem in kaart.
De volgende vragen (de "zes W's") kunnen je helpen de probleemanalyse goed te definiëren (Verhoeven 2007):
Er is een duidelijke samenhang tussen de probleemanalyse en de doelstelling. Bij de doelstelling stel je je de vraag waarom je dit onderzoek doet.
De doelstelling is dus de reden van je onderzoek. De informatie die je in het onderzoek presenteert, heeft namelijk een doel. Wat wil je met deze informatie bereiken? Hierbij is het belangrijk om je te realiseren dat je bij een theoretisch onderzoek het probleem niet zozeer hoeft op te lossen, maar dat je informatie levert die door anderen gebruikt kan worden om het probleem op te lossen. Bij een praktijkgerichter onderzoek doe je dat natuurlijk uiteindelijk wel.
De volgende formuleringen kunnen je helpen om de doelstelling te formuleren:
Andere mogelijke formuleringen zijn:
Meer formuleringen vind je op Tilburg university.
Een goede doelstelling is SMART geformuleerd. Op deze manier wordt snel inzichtelijk of het onderzoek kans van slagen heeft en zo kan ook na afloop beoordeeld worden of de doelstelling bereikt is. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden. Hieronder volgt een toelichting op SMART aan de hand van een voorbeeld.
Maak de doelstelling specifiek. Wat wil je met dit onderzoek bereiken? Voor wie en waarom? Maak de begrippen uit je doelstelling steeds specifieker door ze een preciezere definitie te geven. Dit noem je operationaliseren. Geef aan wat je precies bedoelt met de begrippen.
Bedenk hoe je kunt aantonen dat de doelstelling is bereikt als je het onderzoek hebt gedaan: hoe kun je dit meetbaar maken?
Wat leveren de uitkomsten van het onderzoek de opdrachtgever op? De opdrachtgever moet iets aan de kennis hebben.
Ga na of het haalbaar is om je doelstelling binnen de vastgestelde tijd te bereiken. Dit hangt samen met budget, beschikbare informatie, tijd, wetgeving et cetera. Je kunt niet alles onderzoeken: het moet wel reëel zijn.
De doelstelling wordt steeds specifieker door te bepalen welk tijdsbestek de doelstelling beslaat. Om welke periode gaat het precies? Wanneer begin je met je onderzoek en wanneer is het gerealiseerd?
Na het formuleren van de probleemanalyse en de doelstelling volgt het formuleren van de centrale vraag. Dit is de vraag die je in je scriptie gaat beantwoorden. De deelvragen kun je vervolgens afleiden uit de centrale vraag.
Uit de introductie van het onderwerp en de aanleiding voor het schrijven van de tekst volgt vaak automatisch de centrale vraag, die overigens niet altijd in de vorm van een vraag is beschreven.
In deze alinea van je inleiding kun je:
Het belangrijkste bij een centrale vraag is dat die zo precies mogelijk is. Daarvoor is het belangrijk dat je weet uit welke onderdelen je vraag bestaat. Meestal zijn dat er drie:
Soms heeft je vraag geen variabelen, dus dan is er alleen een domein. Dit komt vooral voor bij beschrijvende vragen, waarvoor je alleen literatuuronderzoek doet. We gaan er nu van uit dat je vraag uit alle drie onderdelen moet bestaan.
De drie onderdelen kunnen het beste worden uitgelegd aan de hand van een voorbeeld.
We beginnen bij het domein, het gedeelte waar het onderzoek zich afspeelt. In deze vraag is dat: ‘in Nederland’. Vervolgens kijken we naar het tweede onderdeel, de afhankelijke variabele. Dat is hier: ‘Wat gebeurt er’. Deze variabele is altijd afhankelijk van het volgende onderdeel van de vraag, namelijk de onafhankelijke variabele, in dit geval: ‘als het lang droog is’. Ofwel: wat er gebeurt, is afhankelijk van hoe lang het droog is.
Nu je weet wat je domein en je variabelen zijn, kun je per onderdeel proberen de vraag minder vaag, dus meer precies te maken.
Je uiteindelijke onderzoeksvraag wordt dan:
Probeer nu zelf eens een centrale vraag te formuleren, aan de hand van een oefenvoorbeeld. Je zoekt eerst het domein en de variabelen en formuleert vervolgens een tweede (preciezere) versie van deze onderzoeksvraag, waarbij je de richtlijnen in je achterhoofd houdt.
Met iedere deelvraag behandel je een aspect van de centrale vraag. Als je alle deelvragen hebt beantwoord, heb je als het goed is de centrale vraag beantwoord.
Een aantal deelvragen moet je op de geraadpleegde theorie baseren. Deze deelvragen behandel je in het theoretisch kader. Daarnaast moet je een aantal deelvragen baseren op je empirisch onderzoek. Deelvragen moeten voldoen aan de volgende criteria:
De eerste deelvraag voegt niets toe aan informatie over de mogelijkheden voor de toekomst. De tweede valt buiten de scope van het onderzoek. Deze vraag wordt beantwoord door de opdrachtgever zelf. Jij hoeft alleen een visiestuk te schrijven.
| De hoofdvraag is de centrale vraag die je in het onderzoek probeert te beantwoorden. | ja/nee |
| De hoofdvraag sluit aan op de vraag van de opdrachtgever. | ja/nee |
| De hoofdvraag sluit aan op het doel van de opdracht. | ja/nee |
| De hoofdvraag is duidelijk afgebakend (het onderwerp, de periode of het onderzoeksgebied zijn duidelijk aangegeven). | ja/nee |
| De hoofdvraag is een open vraag (geen ja/nee-vraag). | ja/nee |
| De hoofdvraag is een enkelvoudige vraag. | ja/nee |
| De hoofdvraag en de deelvragen zijn objectief geformuleerd. | ja/nee |
| De deelvragen bevatten geen nieuwe onderwerpen. | ja/nee |
| De deelvragen dekken ieder een ander aspect van het onderwerp. | ja/nee |
| Als alle deelvragen zijn beantwoord, dan kan de hoofdvraag ook worden beantwoord. | ja/nee |
| De deelvragen staan in een (chrono)logische volgorde. | ja/nee |
| Het beantwoorden van de hoofd- en deelvragen is haalbaar binnen de gestelde tijd. | ja/nee |
| Het beantwoorden van de hoofd- en deelvragen is haalbaar met de beschikbare middelen. | ja/nee |
In de laatste alinea van de inleiding geef je altijd een korte beschrijving van de manier waarop je de centrale vraag wilt gaan beantwoorden. Je maakt de lezer als het ware wegwijs in je verslag.
Je kunt werken vanuit de alinea waarin je hebt geformuleerd hoe je je verslag wilt opbouwen. Let op: maak er geen inhoudsopgave van, maar gebruik volledige zinnen! Met signaalwoorden kun je het verband tussen de verschillende onderdelen zichtbaar maken.
Voorkom personificaties in je werkwijze. Schrijf dus niet: "Dit hoofdstuk geeft een antwoord …" of "Dit hoofdstuk behandelt …" Beter is: "In dit hoofdstuk wordt een antwoord gegeven op …" of "In dit hoofdstuk wordt behandeld …".
In dit hoofdstuk onderbouw je je onderzoeksvragen en kernbegrippen aan de hand van theorie. De beschrijvende onderzoeksvragen kun je door middel van een literatuurstudie beantwoorden. Door je in te lezen in de theorie orden je de informatie en kun je je onderzoek afbakenen.
Je kunt voor elke onderzoeksvraag een aparte paragraaf aanmaken. Het theoretisch kader is vaak thematisch geordend. Ook laat je de grenzen van het onderzoek zien; wat onderzoek je wel en wat niet.
Als je verwijst naar theorie, zorg dan voor een correcte bronvermelding. Ook als je stukken tekst van een ander in je eigen woorden overneemt, moet je dat vermelden.
In het theoretisch kader, ook wel theoretische verkenning of oriëntatie genoemd, beschrijf je de theorie die nodig is om het praktijkprobleem op te lossen. Je zoekt dus als het ware naar het wat van je onderzoek:
Uit je theoretisch kader blijkt je onderzoekende houding. Als het goed is, heb je al heel wat bronnen bij elkaar verzameld. Soms blijkt gevonden informatie bij nader inzien toch niet zo relevant als je eerst dacht. Gooi die informatie niet meteen in de prullenbak, maar bewaar deze in een mapje. Misschien heb je er later alsnog wat aan. Probeer in elk geval niet om de informatie toch maar te noemen in je theoretisch kader. Zie het als iets wat je toch maar weer geleerd hebt.
De meeste theoretisch kaders hebben een informatief karakter: je geeft aan wat de theorieën over jouw onderwerp zijn. Je belicht daarbij bijvoorbeeld de verschillende ideeën of definities. Sommige theoretisch kaders zijn echter vooral argumentatief: je stelt een oplossing voor op basis van de bronnen. Je geeft dan dus argumenten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een adviesrapport een logische invalshoek voor je theoretisch kader. Het belangrijkste is en blijft dat je de inhoud van je bronnen in samenhang weergeeft.
Het is niet de bedoeling dat je alle theorie, per bron, op een rijtje samenvat en doorgaat naar de volgende ronde. Daarmee laat je namelijk niet zien dat je ook begrijpt wat er staat, en hoe je die kennis kunt gebruiken voor jouw onderzoek.
Je gaat daarentegen een 'dialoog' aan met de theorie, waarbij je de verschillende bronnen met elkaar in verband brengt. Je beschrijft wat er al bekend is over het onderwerp, welke opvattingen, theorieën en ideeën er al bestaan. Je geeft ook aan wat er nog niet bekend is en wat dus nieuwe kennis kan opleveren.
Maak alle overeenkomsten, verschillen en mogelijke overlap helder voor jezelf. Gebruik bijvoorbeeld een venndiagram om voor jezelf inzichtelijk te maken hoe twee theorieën of definities met elkaar samenhangen. Vervolgens beschrijf je dat in je tekst (waarbij je eventueel twee bronnen bij dezelfde bewering geeft, omdat ze elkaar daarin overlappen). Als slot van je vergelijking geef je aan welke theorie of definitie jij gebruikt in je onderzoek – en waarom je die keuze hebt gemaakt. Het kan dan ook zijn dat je een combinatie van beide theorieën en definities gebruikt, omdat dit beter past bij jouw vragen.
Er zijn verschillende soorten indelingen mogelijk om je theoretisch kader vorm te geven, bijvoorbeeld:
Het ligt aan de eisen van je opleiding, jouw eigen voorkeur en/of de opzet van je onderzoek welke indeling het beste werkt. Bedenk telkens aan welke ‘kapstok’ je een theorie kunt ‘hangen’: hoort die bij deelvraag/onderwerp/fase X of Y? Sommige theorieën of boeken komen ook meermaals terug, bij verschillende onderdelen binnen je theoretisch kader.
Het is misschien best lastig om te beginnen, vooral als je niet eerder een theoretische tekst hebt geschreven. De volgende zinnen kun je dan gebruiken, zodat je dat begin maar vast hebt:
Kijk voor meer voorbeeldzinnen op de sites van de Universiteit van Tilburg en van de Vrije Universiteit.
Lees vooral ook andere theoretisch kaders van aanverwante onderzoeken. Je kunt hieruit niet alleen nuttige bronnen vinden, maar je leert ook hoe je theorie kunt verwoorden.
Denk er ook aan om al je bronnen meteen bij het schrijven te noteren. Er is weinig tijdrovender dan je bronnen achteraf nog te moeten opzoeken. Probeer daarbij zo veel mogelijk te parafraseren, zodat je laat zien dat je begrijpt wat er staat – en zodat het goed in jouw onderzoek past. Wil je wel citeren, bijvoorbeeld omdat je een definitie geeft? Geef dit dan zoals gebruikelijk duidelijk aan.
Als blijkt dat je een logisch geheel hebt, stel je jezelf tot slot de volgende vragen:
In dit hoofdstuk schrijf je hoe je te werk bent gegaan tijdens je onderzoek. Je beschrijft de onderzoeksgroep en de methode die je gebruikt hebt voor het uitvoeren van je onderzoek. Je vertelt welke meetinstrumenten je hebt gebruikt en je licht keuzes toe. Ook geef je aan hoe je deze hebt ontwikkeld. Verder schrijf je hoe de dataverzameling is gegaan.
Het is belangrijk om hier zo specifiek mogelijk te zijn. Andere onderzoekers moeten jouw onderzoek kunnen herhalen. Je vertelt bijvoorbeeld ook hoe lang de interviews duurden, hoe je respondenten voor vragenlijsten benaderd hebt of welke instructie je hebt gegeven bij het uitvoeren van experimenteel onderzoek.
Als je een vragenlijst hebt gebruikt voor je dataverzameling, neem je deze op als bijlage. Het is belangrijk om hier zo specifiek mogelijk te zijn. Andere onderzoekers moeten jouw onderzoek kunnen herhalen.
Bij alle methoden geldt dat ze moeten voldoen aan de gangbare onderzoekscriteria om de kwaliteit van (wetenschappelijk) onderzoek te garanderen:
Hieronder volgt een toelichting op veelgebruikte onderzoeksmethoden.
Als je veel (diepgaande) informatie wilt krijgen van een persoon of meerdere personen, zijn (diepte-)interviews of groepsgesprekken waarschijnlijk de beste onderzoeksmethode. Het is belangrijk om je goed voor te bereiden op de gesprekken. Kijk bij interviewen hoe je je voor kunt bereiden en hoe je het meeste uit je interviews kunt halen.
Het grootste voordeel van deze methode is dat je door kunt vragen. Je kunt dus doordringen tot de achterliggende ideeën. Een ander voordeel van het afnemen van interviews of het voeren van groepsgesprekken is dat het overal mogelijk is. Je kunt naar mensen thuis gaan of ergens afspreken. Nadelen zijn dat je nooit volledig objectief kunt zijn en dat je geen conclusies kunt trekken voor de hele doelgroep. En het organiseren van interviews kost veel tijd en is niet eenvoudig. Je kunt hier meer lezen over interviewen.
Bij vrijwel elk onderzoek doe je literatuuronderzoek. Literatuuronderzoek wordt soms ook wel desk-research of bureauonderzoek genoemd. Dit verwerk je grotendeels in je theoretisch kader. Soms is literatuuronderzoek de enige onderzoeksmethode die je gebruikt. Literatuuronderzoek is vaak goedkoop en redelijk snel uit te voeren. Je bent namelijk niet afhankelijk van anderen en alle informatie is al beschikbaar. Het nadeel is dat je geen invloed hebt op het materiaal. Doordat de informatie al beschikbaar is, sluit het niet altijd goed aan bij jouw onderzoeksvragen. Ook kan het lastig zijn om de kwaliteit van de literatuur te beoordelen. Hoe je het beste literatuur kunt vinden en waar je op moet letten, wordt duidelijk uitgelegd op de site van de bibliotheek van de HvA.
Bij het verwerken van literatuur is het belangrijk dat je je aan de regels houdt. Wil je weten hoe je geschikte literatuur kunt vinden, kijk dan bij zoeken naar literatuur.
Een casestudie is een aparte vorm van kwalitatief onderzoek, want bij een casestudie is er slechts één onderzoeksobject. Je kunt hierbij denken aan één persoon met een zeldzame ziekte die onderzocht wordt, maar ook aan één bedrijf of organisatie. Let wel op, als je alle medewerkers van dat ene bedrijf bevraagt, is er geen sprake meer van een casestudie. Het voordeel van het bestuderen van een onderzoeksobject is dat je veel diepgaande informatie kunt verzamelen, het nadeel is dat deze informatie vaak niet te generaliseren is.
Als je kiest voor deze onderzoeksmethode dan neem je bij meerdere personen een vragenlijst af. Dit kan via websites of mail, telefonisch of face-to-face, denk aan de enquêteurs die je soms bij de supermarkt ziet. Als je mensen persoonlijk vragen stelt en daarbij ook doorvraagt, is er sprake van een interview. Het liefst bereik je natuurlijk je hele doelgroep, maar als je doelgroep te groot is, moet je genoegen nemen met een representatieve steekproef. Daarbij moet je ervoor zorgen dat je steekproef een goede afspiegeling is van de doelgroep waar je onderzoek naar doet. Je kunt je steekproefgrootte berekenen in de steekproefcalculator. Als je steekproef niet representatief is, kun je geen uitspraken doen over de doelgroep en dat is wel wat je wilt. Dit kan een nadeel zijn.
Een ander nadeel is dat je bij het afnemen van vragenlijsten vaak de respondenten niet kunt begeleiden. Je kunt ze eenmalig instructie geven, maar je kunt niet weten of ze de vragenlijst zo invullen zoals jij dat hebt bedoeld. Zo lijkt de vraag ‘Heb je gisteravond tv gekeken?’ eenvoudig. Maar respondenten kunnen deze vraag op verschillende manieren benaderen en daarmee tot verschillende antwoorden komen:
Doordat je niet door kunt vragen, weet je nooit hoe de respondent tot zijn antwoord is gekomen. Ook heb je met het digitaal versturen van vragenlijsten vaak te maken met een hoge non-respons. Het is belangrijk om hier bij de grootte van je steekproef rekening mee te houden en de vragenlijst altijd aan meer mensen te sturen dan je eigenlijk nodig hebt.
Het voordeel van enquêtes is dat je ze vaak vrij gemakkelijk kunt verwerken, zeker als je hiervoor een online tool, zoals SurveyMonkey gebruikt, en je kunt een grote groep personen deel laten nemen aan het onderzoek. Een ander voordeel van een onlinevragenlijst is dat respondenten in hun eigen tijd en in hun eigen tempo de vragen kunnen beantwoorden. Ook worden enquêtes vaak anoniem afgenomen waardoor de kans op sociaal wenselijke antwoorden klein is.
Let op! Het opstellen van een goede enquête is vaak lastiger dan het lijkt. Je moet jezelf altijd afvragen of je met de vragen die je stelt echt de antwoorden krijgt die je wilt hebben. Bekijk de checklist van Enquetemaken.nu voor tips bij het opstellen van enquêtevragen.
Bij experimenteel onderzoek verzamel je gegevens, meestal van proefpersonen, in een gecontroleerde setting. Je wilt daarmee je hypothese toetsen. Vaak gaat het erom het effect van X op Y aan te tonen. Je kunt dat op verschillende manieren doen. De twee meest voorkomende manieren zijn een testgroep vergelijken met een controlegroep en een testgroep vergelijken voor en na een interventie.
Je wilt bijvoorbeeld weten of een uitgebreider kantineassortiment een gunstige invloed heeft op tentamenresultaten. Bij alle UvA-kantines zorg je, in samenspraak met de cateraar, voor een verdubbeling van het assortiment. UvA-studenten kunnen nu uit twee keer zoveel producten kiezen als HvA-studenten. Voor je experiment volg je UvA-studenten die elke dag in de kantine komen en HvA-studenten die elke dag in de kantine komen. In SiS of een ander registratiesysteem houd je de tentamenresultaten van beide groepen gedurende een half jaar bij. Na een half jaar kun je aangeven of de tentamenresultaten van de UvA-studenten die je hebt gevolgd beter zijn dan de tentamenresultaten van de HvA-studenten die deelnamen aan het onderzoek.
Het nadeel van dit onderzoeksdesign is dat er andere mogelijke verklaringen zijn voor het verschil in tentamenresultaten. UvA-studenten kunnen namelijk ook met hetzelfde kantineassortiment hogere tentamencijfers halen. Je zou in dit geval dan ook eerst een voormeting moeten doen. Natuurlijk moet je ook zorgen voor eenzelfde verdeling tussen jongens en meisjes. Als in de UvA-groep bijvoorbeeld veel meisjes zitten en in de HvA-groep veel jongens, kan dat ook het verschil in tentamenresultaten verklaren.
Bij het uitvoeren van een experiment is het dus belangrijk dat je zoveel mogelijk andere verklarende factoren uitschakelt. Je wilt alleen weten of een uitgebreider kantineassortiment invloed heeft op tentamenresultaten, dus andere oorzaken mogen je onderzoek niet beïnvloeden.
Om andere verklarende factoren binnen de onderzoeksgroep (zoals geslacht) uit te schakelen, kun je ook een groep in de tijd volgen. Je volgt dan bijvoorbeeld de tentamenresultaten van een groep UvA-studenten gedurende een half jaar, je breidt vervolgens het kantineassortiment uit en daarna meet je weer een half jaar later de tentamenresultaten. Op deze manier blijft je onderzoeksgroep gelijk.
Bij dit tweede design is het belangrijk om het niveau van de tentamens gelijk te houden. Als de tweede ronde tentamens bijvoorbeeld makkelijker is dan de eerste ronde, dan kan dat betere tentamencijfers opleveren. Je kunt dan niet de conclusie trekken dat het kantineassortiment gezorgd heeft voor de betere resultaten.
Verder is het belangrijk dat je goed nadenkt over de instructie die je de proefpersonen geeft. Als proefpersonen weten dat ze meedoen aan een onderzoek kunnen ze bij tentamens bijvoorbeeld al beter hun best doen dan normaal. Al met al zijn er dus veel factoren die invloed kunnen hebben op je onderzoeksresultaten. Probeer vooraf zoveel mogelijk factoren te bedenken die eventuele uitkomsten zouden kunnen verklaren. Op die manier kun je inschatten waar je allemaal rekening mee moet houden en kun je je experiment zo goed mogelijk uitvoeren.
Bij elke vorm van onderzoek moet je duidelijk beschrijven wat je doet, waarom je dat doet en hoe je het precies doet, maar dit is bij experimenteel onderzoek extra van belang. Het is belangrijk dat andere onderzoekers je experiment kunnen herhalen.
Als je literatuuronderzoek doet, analyseer je uiteraard bestaand materiaal, maar er is ook een andere vorm van analyse mogelijk. Je kunt namelijk ook gegevens die anderen hebben verzameld, vaak via experimenteel onderzoek, gebruiken voor een andere analyse. Dit scheelt uiteraard veel tijd en soms ook geld. De datasets van anderen kun je alleen niet meer naar je eigen hand zetten. De indeling ligt dus vast en je weet soms ook niet altijd hoe de data is verzameld en hoe goed dat is gebeurd.
Hieronder staan een aantal voorbeelden van kwalitatieve en kwantitatieve vragen:
| Kwalitatieve vragen | Kwantitatieve vragen |
|---|---|
| Wat zijn de wensen van de doelgroep? | Hoe groot is de doelgroep? |
| Hoe zijn kantines van concurrenten ingericht? | Hoeveel concurrenten zijn er? |
| Welk assortiment biedt de cateraar van de UvA/HvA? | Hoeveel producten kun je kopen in de kantine van de UvA op de locatie Bungehuis? |
| Welke trends zijn er op het gebied van eten? | Hoeveel vegetarische producten worden er verkocht in de kantines van de UvA en de HvA? |
De deelvragen in het voorbeeld zou je met verschillende onderzoeksmethode kunnen beantwoorden:
In dit hoofdstuk geef je de feitelijke resultaten van het onderzoek weer. Het gaat bijvoorbeeld om de uitkomsten van een enquête of de metingen van een experiment. Je analyseert de resultaten. Je geeft nog geen verklaringen en trekt nog geen conclusies. Je beantwoordt niet de onderzoeksvragen. Het is een objectief beeld van het verzamelde materiaal.
Je kunt als structuur van het hoofdstuk de ordening op je deelvragen hanteren. Je kunt gebruikmaken van figuren en tabellen en daar in de tekst naar verwijzen. Als je daarvoor kiest, zorg dan dat de figuren en tabellen te begrijpen zijn zonder de tekst, maar dat je in de tekst wel uitleg geeft over de opmerkelijkheden die de lezer kan terugvinden in de figuren en tabellen.
Als je het onderzoek uitgevoerd hebt, dan bespreek je in de volgende stap de resultaten. Hierbij zijn twee zaken belangrijk:
Voordat je begint met het bespreken van de resultaten, bespreek je de betrouwbaarheid van de meetinstrumenten die je hebt gebruikt. Als je de meting zou herhalen met steeds hetzelfde resultaat, dan is je meetinstrument betrouwbaar. Als je vijf keer op een weegschaal zou gaan staan en de weegschaal geeft elke keer hetzelfde gewicht aan, dan is je weegschaal betrouwbaar. Als de weegschaal elke keer een ander gewicht aan zou geven, is hij als meetinstrument onbetrouwbaar.
Bij de onderzoeksmethode heb je bijvoorbeeld uitgelegd dat je interviews hebt afgenomen en dat die door twee beoordelaars zijn gecodeerd. Je begint dan dit deel met het bespreken van de overeenstemming in codering tussen de verschillende beoordelaars. Je blijft daarbij objectief. In de discussie kun je eventuele tekortkomingen bespreken.
Bij deze stap geef je daarna de feitelijke resultaten van het onderzoek weer. Het gaat bijvoorbeeld om de uitkomsten van een enquête of de metingen van een experiment. Je analyseert de resultaten. Je geeft nog geen verklaringen en trekt nog geen conclusies. Je beantwoordt niet de centrale vraag of deelvragen. Het is een objectief beeld van het verzamelde materiaal. Je kunt als structuur de ordening van je deelvragen hanteren. Je kunt gebruikmaken van figuren en tabellen en daar in de tekst naar verwijzen. Als je daarvoor kiest, zorg dan dat de figuren en tabellen te begrijpen zijn zonder de tekst, maar dat je in de tekst wel uitleg geeft over de opmerkelijkheden die de lezer kan terugvinden in de figuren en tabellen.
Op de site van de Vrije Universiteit vind je standaardformuleringen voor je resultatenhoofdstuk.
Na het bespreken van de resultaten, trek je conclusies. Hieronder zie je het verschil tussen een resultaat en een conclusie.
In dit hoofdstuk herhaal je (samenvattend) de resultaten. Je herhaalt de onderzoeksvragen en geeft alleen antwoord op de centrale vraag en de deelvragen. Je baseert je conclusies op het onderzoeksmateriaal. Je haalt geen gegevens erbij die niet onderzocht zijn.
In het daaropvolgende discussiegedeelte geef je mogelijke andere interpretaties, verklaringen en visies weer. Dit kun je vanuit de literatuur doen, maar dit kan ook je eigen mening zijn. Je beschrijft ook wat de resultaten zeggen over de theorieën die je hebt beschreven in het theoretische kader. Zijn de gevonden resultaten een onderbouwing van je theorie of juist niet? En wat betekenen de resultaten voor de theorie waar het onderzoek op voortbouwt?
Zoek je naar de juiste woorden en formuleringen voor je conclusie en discussie? Op de site van de Vrije Universiteit vind je misschien wel inspiratie.
Een conclusie is meer dan alleen een samenvatting van je resultaten. In de conclusie geef je antwoord op je centrale vraag. Je herhaalt (samenvattend) de belangrijkste resultaten. Je herhaalt de onderzoeksvragen en geeft antwoord op de centrale vraag en de deelvragen. Je kunt deze vragen als leidraad gebruiken voor de structuur: je geeft dan per deel- en onderzoeksvraag een antwoord, om af te sluiten met het antwoord op de centrale vraag.
Je baseert je conclusies op het onderzoeksmateriaal en je gebruikt de resultaten als onderbouwing voor je conclusies. Je bespreekt dus wat de resultaten betekenen voor de theorie, voor de praktijk en voor jouw vragen. Je haalt er geen gegevens bij die niet onderzocht zijn en je komt niet met nieuwe informatie. Alles wat je hier beschrijft, is al eerder genoemd. Je koppelt dus de resultaten aan elkaar en eventueel aan het theoretisch kader, ofwel: je analyseert ze in samenhang. Je bespreekt de conclusies in het licht van de doelstelling van het onderzoek.
In het daaropvolgende discussiegedeelte (in een aparte paragraaf) geef je mogelijke andere interpretaties, verklaringen en visies weer. Dit kun je vanuit de literatuur doen, maar dit kan ook je eigen mening zijn. Je beschrijft ook in hoeverre de resultaten kloppen met de theorieën die je hebt beschreven in de inleiding of in het theoretisch kader. Zijn de gevonden resultaten een onderbouwing van je theorie of juist niet? En wat betekenen de resultaten voor de theorie waar het onderzoek op voortbouwt?
Ook kun je hier de tekortkomingen van het onderzoek beschrijven. Het voelt misschien wat gek om de nadruk te leggen op wat er niet goed is gegaan, maar hierdoor weet je lezer dat je je wel degelijk van deze tekortkomingen bewust was. Je geeft dus aan dat je in staat bent om te reflecteren op je eigen onderzoek, en dat wordt zeker gewaardeerd. Denk dus na: waren er bijvoorbeeld beperkingen die het onderzoek belemmerd hebben? Was er te weinig tijd om alles te doen wat je wilde doen? Had je liever een grotere steekproef gehad of meer personen geïnterviewd? Je behandelt uiteraard alleen de belemmeringen die relevant zijn voor dit onderzoek of voor toekomstig onderzoek.
In dit hoofdstuk laat je de betekenis van de onderzoeksopbrengsten voor het praktijkprobleem zien. Je geeft mogelijke aanbevelingen en vertelt hoe die tot stand zijn gekomen. Zorg dat het zo concreet mogelijk is. Aanbevelingen moeten uitvoerbaar zijn. Ook denk je na of vervolgonderzoek nodig is en geef je hiervoor suggesties.
Je laat hier de betekenis van de onderzoeksopbrengsten voor het praktijkprobleem zien. Je geeft mogelijke aanbevelingen en vertelt hoe die tot stand zijn gekomen. Je adviseert als het ware de opdrachtgever. Dit doe je aan de hand van de conclusies die je hiervoor hebt getrokken. Daarbij is het belangrijk dat je laat zien dat je een visie hebt op het onderwerp.
Zorg dat je aanbevelingen zo concreet mogelijk zijn. Ze moeten uitvoerbaar zijn. Ook moeten aanbevelingen krachtig, relevant en bruikbaar zijn. Bij het doen van aanbevelingen is het verder belangrijk dat je ze relateert aan trends en ontwikkelingen die spelen binnen het beroepenveld en/of binnen de organisatie waarvoor jij het onderzoek uitvoert.
Afhankelijk van de centrale vraag en deelvragen kun je aanbevelingen op verschillende niveaus doen. Als je bijvoorbeeld hebt gekeken naar het assortiment van de kantines bij de UvA en HvA, dan kun je aanbevelingen doen voor reclame voor het nieuwe assortiment, maar je kunt ook de cateraar aanbevelen het nieuwe assortiment pas in het nieuwe schooljaar op te nemen in de kantines. Je kunt ook denken aan aanbevelingen voor de korte termijn en voor de lange termijn.
Je bespreekt welk vervolgonderzoek mogelijk is. Je geeft suggesties voor nieuwe onderzoeksvragen zodat toekomstige onderzoekers op hun beurt ook weer nieuwe kennis kunnen toevoegen aan het onderzoeksveld. Je kunt suggesties doen voor het onderzoeken van nieuwe onderwerpen, maar ook bijvoorbeeld van nieuwe doelgroepen.
Je hebt bijvoorbeeld interessante onderzoeksresultaten van jouw onderzoek naar de mogelijkheden om studenten en medewerkers van de UvA en HvA ook in de toekomst een optimale gebruikersbeleving in de kantine te geven. Als aanbeveling kun je adviseren om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een optimale gebruikerservaring in kantoorkantines, of kantines in andere steden.
Daarnaast wijs je toekomstige onderzoekers op de beperkingen van jouw onderzoek. Je draagt dus niet alleen inhoudelijk nieuwe onderwerpen aan voor verder onderzoek, maar je geeft ook aanbevelingen voor de onderzoekstechnische kant. Je kunt bijvoorbeeld aanbevelen om een bepaalde onderzoeksmethode te gebruiken bij het doen van vervolgonderzoek of om rekening te houden met bepaalde beperkingen waar jij tegenaan gelopen bent.
Hier neem je alle literatuur op die je voor je onderzoek geraadpleegd hebt. Het verwijzen naar literatuur is aan allerlei regels gebonden.
Aan het eind van je verslag neem je eventuele bijlagen op. Dit kunnen bijvoorbeeld vragenlijsten zijn die je gebruikt hebt voor je onderzoek.