Een reflectieverslag bestaat uit drie delen: een inleiding, een kern en een slot. In de inleiding bespreek je de aanleiding, het onderwerp en de opbouw van het verslag.
In de kern beschrijf en analyseer je de situatie. Wat gebeurde er? Wie waren er bij betrokken? Welke activiteiten heb jij verricht in de situatie? Wat was het effect van jouw handelen op anderen? Wat was het effect van jouw handelen of je gedachten en emoties? Welke resultaten zijn er geboekt?
Beschrijf de theorie:
Beschrijf en analyseer de situatie (eventueel aan de hand van de STARRT-methode):
In het laatste gedeelte van het verslag, bespreek je de conclusies. Je beschrijft wat je hebt geleerd en wat je nieuwe leerdoelen zijn.
Trek conclusies:
Niet elk reflectieverslag ziet er hetzelfde uit. De eisen die aan het verslag gesteld worden, kunnen verschillen. Pas de opbouw van het verslag daarom aan de gestelde eisen aan.
Een reflectieverslag gaat over jou en jouw leren; schrijf een reflectieverslag daarom in de ik-vorm. In een reflectieverslag bespreek je kort de rol van anderen, maar houd er rekening mee dat het om jou gaat. Richt je daarom altijd op jouw handelen en jouw leren.
Zorg ervoor dat de tekst van je reflectieverslag helder en begrijpelijk is. Zinsbouw, woordgebruik en stijl spelen hierbij een belangrijke rol.