Als je een samenvatting maakt terwijl je leest, dwing je jezelf om hoofd- en bijzaken te scheiden, kritisch na te denken en de stof te ordenen. Je leest op een actieve manier waardoor je de stof beter begrijpt en onthoudt. Er zijn verschillende manieren om samenvattingen te maken.
Bij een samenvatting per alinea zorg je ervoor dat je bij het maken duidelijk onderscheid maakt tussen hoofd- en bijzaken. Je schrijft alleen de hoofdzaken op in je samenvatting, voorbeelden horen er niet in thuis. Houd je samenvatting beknopt en gebruik afkortingen. Anders loop je het gevaar dat je samenvatting te lang wordt.
Je kunt een tekst per alinea samenvatten. Dit kun je als volgt doen:
Een tekst is vaak opgebouwd uit verschillende alinea's. De eerste zin is vaak de kernzin van een alinea. Daarin staat de belangrijkste informatie. De rest van de zinnen uit die alinea zijn er om de hoofdgedachte te verduidelijken met bijvoorbeeld voorbeelden. Bij het maken van een samenvatting is het belangrijk dat je de kernzin en dus de hoofdgedachte herkent en deze kernzinnen als uitgangspunt neemt van je samenvatting.
Schrijvers maken vaak gebruik van signaalwoorden, zoals: ten eerste, ten tweede, vervolgens of bovendien. Hiermee geven zij structuur aan een tekst. Als je een samenvatting maakt, zijn die structuurwoorden belangrijke aanwijzingen om de hoofdgedachte van de alinea te vinden. Bovendien geven de structuurwoorden aan wat de aard van de informatie is, bijvoorbeeld: oorzaak en gevolg, chronologie, of mening en argumenten.
Bij een studie hoort het lezen van grote hoeveelheden tekst. Doe je dit efficiënt, dan kost het je niet te veel tijd en ben je bovendien goed voorbereid op je tentamens. Een kolommenschema kan je hierbij helpen. Je maakt een selectie van de belangrijkste informatie. Voor het tentamen hoef je dan niet het hele boek te herlezen, maar kun je je schema gebruiken.
Voordat je een kolommenschema gaat maken kijk je naar de structuur van de tekst. De meeste studieteksten hebben een herkenbare structuur. De volgende structuren komen vaak voor:
Na het bekijken van de tekststructuur kun je beginnen met het maken van een kolommenschema, bijvoorbeeld in Word of Excel. Begin met het opschrijven van een belangrijk aspect (kolom 2). Ga daarna verder met de bijbehorende deelaspecten (kolom 3) en daarna de uitleg (kolom 4).
Vervolgens begin je opnieuw met het volgende aspect in de tweede kolom, de daarbij horende deelaspecten in de derde kolom en de uitleg in de vierde. Je ‘zigzagt’ tussen de kolommen en werkt zo naar beneden tot je het hele hoofdstuk/artikel/boek doorgenomen hebt.
Het maken van een kolommenschema is een tijdrovende klus, maar bedenk ook de voordelen ervan: je bereidt je meteen voor op je tentamen, er blijft veel informatie hangen, je vindt de structuur in de teksten, je scheidt de hoofd- en bijzaken.
Voor het maken van een (samenvattend) schema van je tekst maak je vier kolommen.
Wanneer je de titel en inleiding van een hoofdstuk leest, weet je snel wat je kunt verwachten want de schrijver geeft vaak een kort overzicht van de inhoud van de tekst. Je hebt dan de hoofdzaak gevonden. In de eerste kolom staat de hoofdzaak in een paar woorden.
In een hoofdstuk kun je verschillende paragrafen vinden die allemaal deelonderwerpen zijn van het grote onderwerp. Dit zijn de aspecten van de hoofdzaak. Deze verschillende aspecten zet je in de tweede kolom van het schema.
Een studietekst kan lang zijn en bestaat daarom uit verschillende paragrafen. Ook binnen een paragraaf kan veel informatie staan. De paragrafen heten de aspecten, de verschillende onderwerpen binnen de paragraaf zijn de deelaspecten. Deze worden vaak aangegeven met tussenkopjes of met woorden in de kantlijn. Deze deelaspecten komen in de derde kolom te staan. De derde kolom bevat dus vrij precieze informatie.
Het niveau van de vierde kolom is het niveau van de echte tekst en heet uitleg. Je moet nu alsnog zoekend door de tekst om de belangrijke dingen te vinden. Lees dus niet de hele tekst, maar let op de anders gedrukte woorden, de kernzin van een alinea, definities en signaalwoorden. Ook illustraties kunnen belangrijk zijn.
Wanneer je informatie in de vierde kolom zet, vraag je dan telkens af of het hoort bij het (deel)aspect. Er is namelijk geen plaats voor nutteloze informatie (voorbeelden, herhalingen, extra uitleg). Schrijf alles in je schema kort en bondig op met symbolen en afkortingen. Definities en omschrijvingen moeten uiteraard letterlijk overgenomen worden.
Als er in de tekst voorbeelden worden genoemd waarmee je een (deel)aspect beter begrijpt, geef die voorbeelden dan kort weer in een aparte kolom.
Ingevuld kan een kolommenschema er bijvoorbeeld als volgt uitzien:
| Hoofdzaak | Apecten | Inhoud | Voorbeelden | |
|---|---|---|---|---|
| Basisboek bedrijfseconomie, hoofdstuk 4: 'Ondernemingsplan' | 4.1: 'Ondernemingen in Nederland: feiten en cijfers' | 99% = MKB (750.000) | ||
| MKB = <250 personen | ||||
| 150.000 = eenmansbedrijf | ||||
| Startende bedrijven: na 9 jaar nog 50% in bedrijf door slechte voorbereiding | ||||
| Goed ondernemensplan & goede boekhouding noodzakelijk | ||||
| 4.2: 'Functies van het ondernemingsplan' |
Functies: |
|||
|
||||
| Financiers: | ||||
|
Eigen vermogen
|
Vreemd vermogen
|
|||
| 4.3: 'Onderdelen van het ondernemingsplan' | Onderdelen: | |||
|
||||
Een mindmap is een visueel schema waarin je de samenhang tussen gedachten, kennis of informatie weer kunt geven. Mindmaps worden daarom vaak gebruikt om te brainstormen of als bouwplan voor een tekst, maar je kunt er ook samenvattingen mee maken.
Mindmaps worden vaak gebruikt om te brainstormen of als bouwplan voor een tekst, maar je kunt ook samenvattingen van studieboeken maken in de vorm van een mindmap. Bij een mindmap zet je het hoofdidee in het midden van het papier. Door middel van lijnen geef je de relatie tussen verschillende ideeën aan en subideeën geef je weer met vertakkingen. Zo krijg je in één oogopslag een goed overzicht van de structuur en alle onderdelen van een tekst.
Maak bij je samenvattingen ook gebruik van de tips over aantekeningen maken.
Wat voor samenvatting je schrijft, hangt af van het doel van je samenvatting. Er zijn drie soorten samenvattingen: de ‘gewone’ samenvatting, de managementsamenvatting en het abstract.
De ‘gewone’ samenvatting schrijf je om je lezer een indruk te geven van jouw onderzoek. Deze samenvattingen zijn dan ook opgebouwd zoals de tekst in z’n geheel is opgebouwd: je begint bij de inleiding, gaat verder met het middenstuk en eindigt met de conclusies en aanbevelingen. De samenvatting deel je op in alinea’s, bijvoorbeeld één per hoofdstuk/onderdeel. Houd een A4 aan als richtlijn voor de samenvatting bij een stageverslag of onderzoeksopdracht.
Een managementsamenvatting schrijf je bijvoorbeeld bij advies- of ontwerponderzoek. Je lezers hebben weinig tijd, maar moeten wel een beslissing nemen op basis van jouw informatie. Er zijn minimaal drie alinea’s:
Daarna volgt eventueel nog een beschrijving van de implementatie. Je beschrijft dus eerst het belangrijkste, daarna volgt de onderbouwing pas. Dit is dus vaak een andere volgorde dan je in je onderzoek gebruikt.
Een abstract is zo’n 150 tot 200 woorden, en bevat geen alinea’s. Je beschrijft hierin het belangrijkste van je onderzoek: aanleiding, hoofdvraag, werkwijze en conclusies. Je vindt het abstract vaak bij wetenschappelijke artikelen.
Bron: Elling, R., Andeweg, B., Baars, S., Jong, J. C., Swankhuisen, C., & de Jong, J. (2019). Rapportagetechniek. Schrijven voor lezers met weinig tijd (6e druk). Noordhoff Uitgevers.
Zoek je naar voorbeelden van een goede samenvatting? Kijk bijvoorbeeld eens op de HBO Kennisbank. Je kunt hier bijvoorbeeld de samenvattingen in afstudeerwerken bekijken. Dat geldt ook voor universitaire afstudeerwerken. Universiteiten hebben vaak hun eigen scriptiebank, bijvoorbeeld UvA Scripties. Je kunt verder bij je opleiding vragen naar voorbeelden.