Probeer – voordat je begint met het echte schrijfwerk – in één alinea te formuleren hoe je je werkstuk wilt opbouwen. Daarmee dwing je jezelf goed na te denken over de grote lijnen van je verhaal. Bovendien heb je meteen een leeswijzer voor in je inleiding.
Gebruik deze tips om je verslag goed te plannen:
Een tekstschema is een voorlopige indeling van je tekst. Je kunt een tekstschema maken in een boomstructuur of in een kolommenschema. Je geeft in het schema aan welke onderwerpen bij elkaar horen en in welke volgorde je ze wilt behandelen. Maak een tekstschema dat aansluit op je centrale vraag.
Orden de verzamelde informatie op een logische manier. Dat betekent bijvoorbeeld dat je onderwerpen elkaar niet overlappen. Er zijn verschillende indelingsprincipes om dat te voorkomen. Gebruik telkens maar één indelingsprincipe van gelijke orde per niveau. Heb je onderverdelingen? Zorg dan dat er altijd minstens twee subcategorieën zijn.
Bepaal vervolgens welke informatie in welk tekstonderdeel moet komen. Daarbij kun je gebruikmaken van vaste structuren van bepaalde onderdelen. In deze fase bedenk je ook (voorlopige) titels.
Alinea’s zijn de kleinste informatiedragers van een tekst. Losse zinnen en woorden bevatten weinig informatie voor de lezer, maar een alinea bestaat uit een aantal samenhangende zinnen die over hetzelfde onderwerp gaan.
Met verwijs- en signaalwoorden kun je tot slot verbanden leggen tussen zinnen en alinea's. Met verwijswoorden – de naam zegt het al – verwijs je naar een bepaald onderdeel van de tekst, met signaalwoorden geef je een seintje aan je lezer dat die een bepaald verband moet leggen tussen de onderdelen.