Het tekstschema helpt je overzicht te houden over je tekst: de kans is kleiner dat je iets vergeet of juist dubbel behandelt. Ook kun je nu beginnen met het gedeelte dat je het leukst vindt of waar je het meeste over weet. En als je eenmaal iets op papier hebt, zal de rest van de tekst ook gemakkelijker gaan.
Een goed tekstschema helpt je bij het schrijven van je tekst. Je vindt in zo'n schema bijvoorbeeld alle steekwoorden, de belangrijkste woorden voor je tekst. Belangrijk is ook dat je centrale vraag en het antwoord daarop erin terugkomen, en dat je schema compleet is. De onderstaande voorbeelden kunnen je houvast bieden.
In een goed uitgewerkt tekstschema staan per alinea de belangrijkste steekwoorden genoteerd. Je beantwoordt telkens vragen als: Waar gaat deze alinea over? Wat is de kern ervan? Zo kom je ook tot het antwoord op je centrale vraag.
Wordt het antwoord op de centrale vraag niet duidelijk uit het tekstschema, dan is het schema nog niet goed genoeg.
Uit dit tekstschema wordt niet duidelijk hoe de vraag wordt beantwoord of Nederland steeds meer ontkerkelijkt. Er wordt kennelijk informatie gegeven over de historie van het geloof en de diverse soorten religies en daarnaast ook levensbeschouwingen, maar het is niet duidelijk of er in deze hoofdstukken informatie over kerkbezoek is opgenomen en het al of niet afnemen daarvan.
Op het eerste gezicht is dit een beschrijvende tekst en geen beoordelende, en dus is de afsluiting van de tekst met een conclusie onterecht en moet de formulering van de centrale vraag worden aangepast.
Met een tekstschema dat niet compleet is, loop je het risico dat je niet alles behandelt. Het kan ook wijzen op een te brede centrale vraag.
Dit tekstschema is niet compleet, omdat een deel van de centrale vraag niet beantwoord wordt. Kennelijk wordt alleen geconcludeerd en onderzocht wat allochtonen en jongens van het spreken van een dialect denken, maar in de centrale vraag staat: jongeren. Dan zou er ook nog een hoofdstuk toegevoegd moeten worden met de opinie van autochtone meisjes over het spreken van een dialect, of de centrale vraag moet meer ingeperkt worden.
Heb je eenmaal duidelijk de centrale vraag geformuleerd, dan ligt de eerste opzet van je tekst in feite al klaar. Bij ieder type centrale vraag kun je namelijk een standaard tekstschema gebruiken. In dat schema geef je aan uit welke onderdelen de tekst bestaat en welke hoofdstukken en paragrafen nodig zijn om de centrale vraag (en deelvragen) te kunnen beantwoorden.
Deze standaardschema’s bieden een eerste houvast. Je moet ze specifieker uitwerken tot een goed en bruikbaar tekstschema.
Er bestaan twee soorten verklarende centrale vragen:
Wat is het oordeel over X?
Bron: A.F. Snoeck Henkemans. Schrijven. Handleiding voor het opstellen van zakelijke teksten. Groningen, 1989.