De volgende onderdelen kunnen in de onderstaande volgorde deel uitmaken van scripties, verslagen en andere langere wetenschappelijke teksten; voor essays gelden bijvoorbeeld weer andere regels. Houd er wel rekening mee dat per instituut, afdeling of faculteit andere afspraken bestaan over de volgorde, de benaming en het al dan niet opnemen van deze tekstonderdelen. Neem deze informatie dus niet klakkeloos over, maar informeer naar de afspraken binnen jouw vakgebied.
Je tekst begint met de titelpagina. Vermeld hierop de volgende kenmerken:
Dit is een niet-noodzakelijk tekstonderdeel. In het voorwoord kun je mensen bedanken die hebben geholpen bij het tot stand komen van de tekst, aangeven voor wie de tekst geschreven is en waarom. Eigenlijk gebruik je het voorwoord alleen bij lange teksten als eindopdrachten, proefschriften of masterscripties.
Bij een langere tekst (langer dan acht pagina’s) neem je een inhoudsopgave op. In de inhoudsopgave:
Het maken van de inhoudsopgave is echt een precisiewerkje. Je kunt (bijvoorbeeld in Word) een automatische inhoudsopgave laten genereren, maar ook hier kunnen foutjes in sluipen. Zorg ervoor dat je de inhoudsopgave dus niet op het allerlaatst maakt en werk deze telkens bij. Daarmee voorkom je kleine slordigheidjes, zoals verouderde paginanummers.
In zijn boek La Peste beschrijft de Franse schrijver Camus de worsteling van een schrijver die al twintig jaar bezig is de eerste zin van zijn roman te formuleren. Zo’n worsteling hoef je bij het schrijven van de inleiding gelukkig niet door te maken: het concept ligt voor je klaar, dus beginnen is niet moeilijk.
Een goede inleiding bevat de volgende elementen:
Je hoeft dat niet per se in deze volgorde te doen, maar deze ligt wel voor de hand. Verder kun je de inleiding het beste achteraf helemaal schrijven. Pas dan heb je een goed overzicht van de hele tekst en de definitieve centrale vraag en indeling. Tijdens het schrijven van de tekst zul je die namelijk soms nog aanpassen en veranderen. Je kunt wel alvast een eerste opzet maken (vanuit je tekstschema!) zodat je het overzicht hebt.
Het laatste onderdeel van de kern van je tekst is een samenvatting óf een conclusie, nooit beide.
Dit laatste hoofdstuk van je tekst moet een representatieve weergave zijn ervan. De volgende hoofdpunten moeten erin voorkomen:
De conclusie is het laatste hoofdstuk van je tekst, en moet een representatieve weergave ervan zijn. De volgende hoofdpunten moeten erin voorkomen:
Dit tekstonderdeel neem je alleen op als je met eindnoten werkt. Laat de nummering van de noten doorlopen en begin niet elk hoofdstuk opnieuw. Controleer hoe noten worden vormgegeven volgens de gangbare methode op jouw vakgebied.
Werken met voetnoten is ‘gebruikersvriendelijker’. Voetnoten staan direct onderaan de pagina, dus de lezer hoeft het lezen niet al te erg te onderbreken met heen-en-weer geblader. Gebruik in geen geval beide systemen.
De literatuurlijst bevat in alfabetische volgorde alle literatuur waarnaar in de tekst wordt verwezen. De lijst wordt vormgegeven via specifieke voorschriften die per instituut, afdeling of faculteit kunnen verschillen. Informeer naar de gangbare methode op jouw vakgebied. Kijk ook bij Literatuur verwerken voor een overzicht van de verschillende verwijssystemen.
Neem alleen titels op waarnaar je verwijst en neem dus geen titels op die nergens in de tekst voorkomen Voor vervolgstudie kun je natuurlijk wel suggesties doen voor bruikbare literatuur, maar deze staan niet in de literatuurlijst.
Leg de literatuurlijst al schrijvende aan. Iedere keer dat je een boek of artikel voor het eerst gebruikt, neem je de gegevens ervan direct op in de literatuurlijst. Daarmee voorkom je dat je iets vergeet op te nemen en ook een heleboel gezoek achteraf.
Dit is een optioneel onderdeel. In bijlagen neem je informatie op die niet in de lopende tekst past of daar te veel onderbreekt. Voorbeelden van bijlagen zijn de vragenlijst bij een onderzoek, of overzichtslijsten met bepaalde gegevens. Wanneer je een bijlage opneemt, moet je altijd in de tekst ernaar verwijzen, zodat de functie ervan duidelijk is voor de lezer, en de bijlage er niet maar een beetje ‘bij hangt’. Nummer de bijlagen als je er meer dan een hebt.
Een afbeeldingenlijst neem je alleen op als je in je tekst afbeeldingen als foto’s, tabellen, diagrammen, tekeningen etc. hebt opgenomen.