Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Met signaal- en verwijswoorden maak je de samenhang helder tussen en binnen alinea's. Ze worden dan ook wel structuuraanduiders genoemd.

Een goed gebruik van zulke structuuraanduiders is niet alleen prettig voor je lezers, maar zeker ook voor jezelf: je signaal- of verwijswoorden moeten passen bij het verband dat je wilt aangeven tussen zinnen of alinea's.

TIP: Vaak zijn verbanden voor jou heel logisch, maar voor je lezers niet. Gebruik dus meer structuuraanduiders dan je denkt nodig te hebben – en wissel af om de leesbaarheid te behouden.

Signaalwoorden
  • Signaalwoorden

    Signaalwoorden helpen de lezer, geven structuur aan de tekst en zorgen voor samenhang tussen alinea’s en/of zinnen. Signaalwoorden worden daarom ook wel indicatoren of verbindingswoorden genoemd. Gebruik ze veelvuldig: in veel teksten staan er eerder te weinig dan te veel.

    Overzicht signaalwoorden

    Welk signaalwoord op zijn plaats is, ligt aan het soort verband. Hieronder staan de meest voorkomende signaalwoorden:

    • Signaalwoorden van tijd: eerst, vervolgens, daarna, toen, ten slotte
    • Signaalwoorden van plaats: hier, daar, waar, waarin, waarop
    • Signaalwoorden van tegenstelling: echter, maar, daarentegen, hoewel, toch, tenzij
    • Signaalwoorden van opsomming: en, ook, daarnaast, bovendien, ten eerste, ten tweede
    • Signaalwoorden van argumentatie:
      • voor het standpunt: naar mijn mening, concluderend, kortom, dus
      • voor argumenten die losstaan van andere argumenten: ten eerste…, overigens, nog afgezien van, trouwens
      • voor argumenten die horen bij andere argumenten: daarbij komt, vooral ook, omdat
      • voor argumenten die andere argumenten verdedigen: want, namelijk, omdat
    • Signaalwoorden van verklaring: dus, omdat, daarom, daardoor

    Signaalwoorden gebruiken

    Bekijk de video over het gebruik van signaalwoorden.

  • Verwijswoorden

    Met verwijswoorden verwijs je naar een woord of woordgroep. Verwijs je in een bijzin naar een concreet het-woord (onzijdig), dan gebruik je dat; bij concrete de-woorden (mannelijk of vrouwelijk) gebruik je die. In andere gevallen met een bijzin heeft wat de voorkeur. 

    Verwijswoorden zijn woorden als: hem, haar, die, dit, deze, waar, daar, ervan, erop, daarin, zo’n. Je gebruikt ze om te verwijzen naar een persoon, zaak of gebeurtenis die je eerder hebt beschreven.

    Gebruik alleen verwijswoorden als duidelijk is waarnaar je verwijst. Verwijs niet naar iets dat meer dan een zin terug genoemd wordt. Zorg er ook voor dat je de correcte verwijswoorden gebruikt.

    De of het?

    Het is belangrijk dat je het correcte verwijswoord kiest. Naar de-woorden verwijzen we met hij, hem, die, deze en dezelfde. Naar het-woorden verwijzen we met het, dit, dat en hetzelfde. Dus:

    Bij het kiezen van het juiste verwijswoord worden de volgende fouten regelmatig gemaakt:

    • het management en haar inspanningen
    • alles dat je ziet, is puur goud
    • de vrienden waarop wij wachten

    Het management en haar/zijn inspanningen

    Zin 1 is fout, zin 2 is juist: het is het managementteam en naar het-woorden verwijzen we in principe met zijn. Alleen als heel duidelijk is dat het het-woord naar iemand van het vrouwelijk geslacht verwijst, gebruik je haar. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is: het meisje en haar vrienden.

    Een aparte categorie verwijzingen vormen dus de woorden die gebruikt worden voor een organisatie, een instelling of een vereniging.

    Zijn dit vrouwelijke woorden, dan gebruiken we zij of haar om te verwijzen (zin 1). Bij een mannelijk woord gebruiken we hij, hem of zijn (zin 2). Of een woord mannelijk of vrouwelijk is, kun je in het Nederlands niet meer zien, maar je kunt dit opzoeken op Woordenlijst.org.

    Gaat het om een onzijdig woord, dan gebruiken we het of zijn (zin 3).

    Wat of dat?

    Na het gebruik van alles, niets, iets en het enige gebruik je in principe wat in plaats van dat, omdat het om iets onbepaalds gaat (zin 1). Het is echter niet fout om dat te gebruiken (zin 2). Wees vooral consequent in een tekst.

    Ook bij het gebruik van de superlatief of overtreffende trap (het mooiste, het grootste) ligt de voorkeur bij wat, maar is dat zeker niet fout. Hier geldt dus wederom: maak een keuze en blijf erbij.

    De volgende zinnen zijn eveneens allebei goed, maar wel afhankelijk van wat je bedoelt te zeggen. Als je verwijst naar een leuk boek, dan is zin 1 correct; je verwijst naar iets bepaalds.

    Wil je aangeven dat hij het geven van het boek leuk vond, dan moet je zin 2 gebruiken; wat gebruik je ook om te verwijzen naar een hele (bij)zin.

    Waarop/op wie

    De oorspronkelijke regel luidt dat je naar personen verwijst met de prepositie (op) + wie. Naar dingen en zaken verwijs je met waar + prepositie. In de praktijk zie je dat zowel in spreektaal als in schrijftaal de eerste variant waarop wordt gebruikt, maar veel mensen blijven het beleefder vinden om op wie te gebruiken.

    Deze/dit machine

    Kijk naar het lidwoord om het juiste woord te kiezen. Is het lidwoord de of het?

    • De → deze – die – welke – elke – iedere – onze
    • Het → dit – dat – welk – elk – ieder – ons

    Dit geldt alleen voor substantieven in het enkelvoud.

    De-woord Het-woord
    De machine Het apparaat
    Deze machine Dit apparaat
    Welke machine? Welk apparaat?
    Elke machine Elk apparaat
    Onze machine Ons apparaat

Een voorbeeld

In de volgende tekst zijn de verwijs- en signaalwoorden gecursiveerd. Als je ze vervangt door andere woorden (bijvoorbeeld 'echter' in 'daarom'), dan verandert ook de betekenis van je tekst.