Een goede alinea bestaat uit een kernzin en een uitwerking van de kernzin in de overige zinnen.
De kernzin bevat de belangrijkste informatie, de kern van wat je wilt zeggen in die alinea. Het beste kun je de kernzin als eerste, tweede of laatste zin opnemen. Lezers kijken bij voorkeur op die plaatsen om een snel overzicht te krijgen van de inhoud. Heb je goede kernzinnen geschreven, dan kun je ze gebruiken om je structuur te controleren én om je samenvatting te beginnen.
De kernzin werk je uit in de rest van de alinea. Een alinea wordt daardoor gemiddeld tussen de drie en tien zinnen (of vier tot twaalf regels). Uitwerkingen van een kernzin kunnen onder andere bestaan uit een voorbeeld, een nadere uitleg of toelichting.
In het volgende voorbeeld staat de kernzin op de tweede plaats. Vaak is de eerste zin van een alinea een brug naar de vorige. De laatste zin van de vorige alinea zal ongeveer zo zijn: "Het Naardermeer neemt een bijzondere positie in binnen Natuurmonumenten." In de rest van de alinea worden voorbeelden gegeven bij de kernzin.
In het volgende voorbeeld staat de kernzin met de belangrijkste mededeling op de eerste plaats. De rest van de alinea bevat een nadere toelichting van de kernzin.
In het volgende voorbeeld is eerst de argumentatie gegeven. Het standpunt, de kernzin van de alinea, is in dit geval de laatste zin.
Voor de samenhang tussen alinea’s moet je goed bedenken wat de logische lijn in de informatie is. Je hebt hierover al nagedacht bij het ordenen van informatie en je hebt dit weergegeven in je tekstschema.
Om de samenhang tussen alinea’s goed weer te geven neem je regelmatig in de tekst zinnen of passages op die de lezer duidelijk maken hoe de tekst is opgebouwd of hoe hij de informatie in een bepaalde passage moet opvatten.
Er zijn vier manieren waarop je het verband tussen verschillende alinea’s kunt aangeven: met herhaling, overgangszinnen met verwijswoorden, aankondigende zinnen of signaalwoorden.
De verschillende manieren om samenhang tussen alinea’s helder te maken, kunnen ook gecombineerd worden. Ook binnen de alinea’s is het aan te raden om het verband tussen zinnen duidelijk te maken door signaal- en verwijswoorden te gebruiken.
Aan het begin van de nieuwe alinea worden woorden of woordgroepen uit de vorige alinea herhaald.
Overgangszinnen zijn samenvattende zinnen die je aan het begin of het eind van een alinea plaatst. Ze bevatten eventueel verwijswoorden (zoals die, deze, hiermee, dergelijke).
Aankondigende zinnen dienen als een soort leeswijzer voor de lezer. Je kunt hierin aangeven wat je in de volgende alinea’s behandelt. In de inleiding kun je ze gebruiken om de opbouw van je tekst aan te geven.
Signaalwoorden geven het verband tussen verschillende zinnen of alinea’s aan. Voorbeelden van signaalwoorden zijn: aan de ene kant… aan de andere kant, daarnaast, bovendien, omdat, bijvoorbeeld.
Een alinea behelst altijd een kernidee. Je alinea's zijn echter eenheden die niet alleen inhoudelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Je geeft ze daarnaast zodanig weer dat de lezer in een oogopslag ziet dat er een nieuwe alinea begint.
Er zijn drie manieren om het onderscheid tussen alinea’s typografisch weer te geven. Meestal zie je in langere teksten een combinatie van de tweede en derde manier. Hier volgen enkele voorbeelden; de tussendelen uit de alinea's zijn telkens weggehaald; dit zie je aan [...].
Er is momenteel [...] hebben een andere cultuur en meestal spreken ze een andere taal naast het Nederlands.
Twee van de belangrijkste redenen achter immigratie zijn economie en politiek [...] immigrant en asielzoeker genoemd.
Er is momenteel [...] hebben een andere cultuur en meestal spreken ze een andere taal naast het Nederlands.
Twee van de belangrijkste redenen achter immigratie zijn economie en [...] immigrant en asielzoeker genoemd.
Uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is gebleken [...] bijna 1 miljoen moslims.
Een groot deel van de moslim immigranten komt uit Marokko en Turkije [...] en sociaal-economische positie.