Taal en stijl: grammatica
Het onderwerp (subject) van de zin is degene die of datgene wat in de zin iets doet of is. Als je de persoonsvorm verandert door hem in enkelvoud of meervoud te zetten, moet het subject meeveranderen, wil de zin correct blijven.
In de mededelende hoofdzin staat het subject vaak vlak voor of achter de persoonsvorm als het bepaald is. Een onbepaald subject kan verder van de persoonsvorm af staan.
In de vragende hoofdzin staat het bepaald subject direct achter de persoonsvorm, maar het onbepaald subject staat vaak verder van de persoonsvorm af.
In de bijzin staan subject en persoonsvorm meestal verder uit elkaar.
Een werkwoord noemen we de persoonsvorm (verbum finitum) als dat in een zin de tijd en enkelvoud of meervoud aangeeft. Het staat meestal in de tegenwoordige tijd (praesens), verleden tijd (imperfectum) of de voltooide tijd (perfectum).
De persoonsvorm is het werkwoord dat bij het subject hoort. Als het subject verandert van enkel- naar meervoud (of omgekeerd), dan moet de persoonsvorm meeveranderen.
Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling centraal staat in een zin. Het geeft aan wie of wat het onderwerp is of doet. De persoonsvorm is hier altijd onderdeel van. Iedere zin bevat dus een gezegde. Dat kan een werkwoordelijk gezegde zijn, of een naamwoordelijk gezegde.
Een werkwoordelijk gezegde bestaat minimaal uit een enkele persoonsvorm, maar kan ook een of meer andere werkwoordsvormen bevatten, zoals een infinitief (heel werkwoord) of voltooid deelwoord.
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel (de persoonsvorm en eventuele andere werkwoordsvormen) en een naamwoordelijk deel (dat wordt gevormd door een adjectief of substantief). Het werkwoordelijk deel bevat een van de koppelwerkwoorden: zijn, worden en blijven.
Lijdend voorwerp (direct object) is het zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp? Het object komt in sommige talen overeen met de vierde naamval en gebruik je alleen in combinatie met transitieve werkwoorden.
Het meewerkend voorwerp is het zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: aan wie (of wat) of voor wie (of wat ) + de rest van de zin? Je kunt een indirect object in de zin dus vinden doordat je er ‘voor’ of ‘aan’ voor kunt plaatsen. Een indirect object hoort bij de derde naamval in sommige talen.
Sommige werkwoorden en adjectieven vormen een vaste combinatie met een prepositie: denken aan, verliefd zijn op, tevreden zijn over. Het zinsdeel dat met de prepositie begint, noemen we een prepositieobject.
Er zijn twee soorten bepalingen: bijwoordelijke of adverbiale bepalingen en bijvoeglijke bepalingen.
Bijwoordelijke bepalingen geven nadere informatie over datgene wat in de rest van de zin wordt gezegd, bijvoorbeeld over de tijd, de plaats, de manier waarop iets gebeurt. Je kunt ze vaak vinden door vragen te stellen als: Waarom? Wanneer? Hoe lang? Hoe? Waar? Ze kunnen ook uit één bijwoord bestaan, bijvoorbeeld: niet, ook, wel. Er kunnen meerdere bepalingen in een zin staan.
Bijvoeglijke bepalingen geven informatie over een zelfstandig naamwoord. Een bijvoeglijke bepaling kan zowel voor als achter dat zelfstandig naamwoord staan. Soms bestaat een bijvoeglijke bepaling uit één woord, maar de bepaling kan ook heel lang zijn.