Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
In het Nederlands heb je soms te maken met onregelmatige werkwoorden: werkwoorden met een klinkerwisseling in perfectum en/of imperfectum. Ook kun je reflexieve werkwoorden en scheidbare werkwoorden tegenkomen in teksten.
  • Onregelmatige werkwoorden

    Onregelmatige werkwoorden zijn werkwoorden met een klinkerwisseling in perfectum en/of imperfectum. Als deze woorden veel voorkomen in je studie, is het belangrijk om de vervoeging te kennen. Bijvoorbeeld:

    Hebben of zijn?

    De meeste onregelmatige werkwoorden krijgen hebben als hulpwerkwoord (zin 1 en 2). Een aantal onregelmatige werkwoorden krijgt echter zijn bij het perfectum (zin 3) en sommige kunnen hebben én zijn krijgen (zin 4 en 5).

  • Reflexieve werkwoorden

    Reflexieve werkwoorden zijn een combinatie van een werkwoord met een reflexief pronomen. Hieronder zie je veel voorkomende reflexieve werkwoorden met bijbehorend pronomen:

    Er zijn ook werkwoorden die niet-reflexief én reflexief gebruikt kunnen worden:

  • Scheidbare en onscheidbare werkwoorden

    Scheidbare werkwoorden

    Scheidbare werkwoorden zijn combinaties van een werkwoord met een prefix (voorvoegsel): uitstellen (uit + stellen), aandoen (aan + doen), terechtkomen (terecht + komen), enzovoorts. Zo’n scheidbaar werkwoord schrijf je soms aan elkaar en soms niet.

    Soort zin Scheiden of niet? Regel + voorbeeldzin
    Hoofdzin Scheiden Praesens of imperfectum(1)
    Hoofdzin Scheiden Infinitief met te (2)
    Hoofdzin Aan elkaar Perfectum (3)
    Hoofdzin Aan elkaar Infinitief zonder te (4)
    Bijzin Scheiden Infinitief met te (5)
    Bijzin Aan elkaar Perefectum (6)
    Bijzin Aan elkaar Praesens (7)
    Bijzin Aan elkaar Infinitief zonder te (8)

    Onscheidbare samengestelde werkwoorden

    Stofzuigen is een voorbeeld van een onscheidbaar samengesteld werkwoord. Dit betekent dat de delen stof en zuigen niet uit elkaar gehaald mogen worden. Het is dus niet: ik zuig stof, maar ik stofzuig. En omdat het een relatief nieuw werkwoord is, wordt het zwak vervoegd. Het is dus niet: ik stofzoog, maar: ik stofzuigde.  Deze werkwoorden worden dus gewoon volgens de regels van de verleden tijd vervoegd. Hetzelfde geldt voor werkwoorden als:

    Onscheidbare werkwoorden met prefix

    Er zijn ook werkwoorden met een prefix die nooit scheidbaar zijn, bijvoorbeeld:

    Scheidbare versus onscheidbare werkwoorden

    Bij een scheidbaar werkwoord ligt de klemtoon altijd op het prefix. Bij verreweg de meeste niet-scheidbare werkwoorden ligt juist deze op het werkwoorddeel.

    Hier volgt nog een aantal veelvoorkomende scheidbare en niet-scheidbare werkwoorden. Twijfel je waar de klemtoon ligt? Check het dan in je woordenboek.

    Oefenen: (her)ken je bijzondere werkwoorden

    Niet alle werkwoorden zijn meteen logisch. Zo zijn er onregelmatige en reflexieve werkwoorden, maar ook scheidbare en onscheidbare werkwoorden.