Taal en stijl: grammatica
Je gebruikt het praesens voor iets wat nu gebeurt, voor iets wat regelmatig gebeurt én voor de (nabije) toekomst. Bijvoorbeeld:
Je gebruikt het praesens ook voor het heden dat verbonden is met verleden. Je moet dan meestal al of nu toevoegen. Bijvoorbeeld:
Gebruik je het imperfectum (onvoltooid verleden tijd), dan geef je aan dat het in het verleden geweest is (zin 1 t/m 3). Geldt de situatie nog altijd, dan moet je dus het presens gebruiken (zin 4 t/m 6).
Niet alleen met de praesens kun je naar de toekomst verwijzen (zin 1). Je kunt daarvoor ook (met mate) hulpwerkwoorden gebruiken. Je gebruikt dan zullen (zin 2) of gaan (zin 3) met een infinitief.
Let op: je kunt gaan + infinitief niet gebruiken als er ook nog een vorm van zijn, hebben, gaan, willen, moeten, kunnen, mogen of hoeven in de zin staat. Je kunt dan wel zullen + infinitief gebruiken:
Om (losstaande) feiten/gebeurtenissen te noemen die in het verleden plaatsvonden, gebruiken we meestal de verleden tijd (imperfectum):
De voltooide tijd (perfectum) wordt vaak gebruikt om de luisteraar/lezer eerst ‘mee te nemen’ naar het verleden:
Welke tijd je voor het passief gebruikt, hangt af van je werkwoordstijd:
Let vooral op het verschil tussen het presens en het perfectum:
Herken je de fout?
De werkwoordtijden zijn hier incorrect, en daardoor is de verkeerde vorm van het passief gebruikt: