Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
In het Nederlands heb je verschillende werkwoordstijden. De meest voorkomende zijn de tegenwoordige tijd (praesens), de verleden tijd (imperfectum) en de voltooide tijd (perfectum). Ook de toekomende tijd (futurum) en de passieve vorm wordt vaak gebruikt in teksten.
  • Praesens: heden, verleden en toekomst

    Je gebruikt het praesens voor iets wat nu gebeurt, voor iets wat regelmatig gebeurt én voor de (nabije) toekomst. Bijvoorbeeld:

    Je gebruikt het praesens ook voor het heden dat verbonden is met verleden. Je moet dan meestal al of nu toevoegen. Bijvoorbeeld:

    Gebruik je het imperfectum (onvoltooid verleden tijd), dan geef je aan dat het in het verleden geweest is (zin 1 t/m 3). Geldt de situatie nog altijd, dan moet je dus het presens gebruiken (zin 4 t/m 6).

  • Naar de toekomst verwijzen

    Niet alleen met de praesens kun je naar de toekomst verwijzen (zin 1). Je kunt daarvoor ook (met mate) hulpwerkwoorden gebruiken. Je gebruikt dan zullen (zin 2) of gaan (zin 3) met een infinitief.

    Let op: je kunt gaan + infinitief niet gebruiken als er ook nog een vorm van zijn, hebben, gaan, willen, moeten, kunnen, mogen of hoeven in de zin staat. Je kunt dan wel zullen + infinitief gebruiken:

  • Naar het verleden verwijzen

    Om (losstaande) feiten/gebeurtenissen te noemen die in het verleden plaatsvonden, gebruiken we meestal de verleden tijd (imperfectum):

    De voltooide tijd (perfectum) wordt vaak gebruikt om de luisteraar/lezer eerst ‘mee te nemen’ naar het verleden:

  • De passieve vorm

    Welke tijd je voor het passief gebruikt, hangt af van je werkwoordstijd:

    • worden + deelwoord voor het praesens (onvoltooid tegenwoordige tijd) – zin 1;
    • werden + deelwoord voor het imperfectum (onvoltooid verleden tijd) – zin 2;
    • zijn + deelwoord voor het perfectum (voltooid tegenwoordige tijd) – zin 3;
    • waren + deelwoord voor het plusquamperfectum (voltooid verleden tijd) – zin 4.

    Let vooral op het verschil tussen het presens en het perfectum:

    Herken je de fout?

    1. Op dit moment is de documentaire over Zuid-Afrika uitgezonden.
    2. Tegenwoordig zijn veel patiënten door de doktersassistent geholpen.
    3. Toen we bij de garage kwamen, is de auto nog niet gerepareerd.

    De werkwoordtijden zijn hier incorrect, en daardoor is de verkeerde vorm van het passief gebruikt:

    1. Op dit moment wordt de documentaire over Zuid-Afrika uitgezonden.
    2. Tegenwoordig worden veel patiënten door de doktersassistent geholpen.
    3. Toen we bij de garage kwamen, was de auto nog niet gerepareerd.