Taal en stijl: spelling
Een zelfstandig naamwoord is een woord dat zelfstandig gebruikt kan worden, meestal een enkelvoud en meervoud kent en gecombineerd kan worden met een lidwoord.
Van alle telbare zelfstandig naamwoorden kan een meervoud worden gemaakt.
Een meervoud krijg je meestal door -en toe te voegen (zin 1). Om een correcte uitspraak te krijgen moet de spelling van het zelfstandig naamwoord vaak worden aangepast. Zo moet de medeklinker soms worden verdubbeld (zin 2), een klinker worden verwijderd (zin 3 en 4) of een medeklinker worden vervangen (zin 5).
Om problemen met de uitspraak te voorkomen voeg je bij een enkelvoud dat eindigt op -ee een trema toe op het achtervoegsel (zin 1). Dit doe je ook als de uitgang eindigt op een beklemtoonde -ie (zin 2). Als de klemtoon niet op de -ie valt, voeg je alleen een -n toe. Plaats dan wel een trema voor een correcte uitspraak (zin 3).
Als het meervoud op een ‘s’ eindigt, schrijf je -s. Voorwaarde is dat de klank niet verandert (zin 1 t/m 3). Dat geldt dus ook voor woorden op -eau, die van zichzelf al op een oo-klank eindigen (zin 4).
Je schrijft -‘s als het enkelvoud eindigt op de lange klinkers i, o, y, u, a. Om problemen met de uitspraak te voorkomen komt er dan een apostrof voor de meervouds-s te staan.
Samenstellingen zijn twee of meer samengevoegde woorden die ook als afzonderlijk woord kunnen voorkomen (keuze + vak = keuzevak). In het Nederlands schrijf je samenstellingen in principe aan elkaar, ook als het een combinatie betreft van ingeburgerde Nederlands-Engelse woorden of Engels-Engelse woorden.
Op deze regel is een aantal uitzonderingen. Soms schrijf je samenstellingen niet aan elkaar, maar plaats je een koppelteken. Dit doe je onder andere:
Samenstellingen met een losse letter, zoals T-shirt, U-vorm en c-sleutel, krijgen een streepje, ook als het geen afkortingen zijn (zin 1). Als er zowel een woord vóór als ná de afkorting of losse letter staat, staan er twee streepjes (koppeltekens) in de samenstelling (zin 2).
Herken jij de samenstelling en weet je welke woorden je aan elkaar schrijft?
De regels voor de bezits-s en de tussen-n en -s zijn handig om te weten, zodat ze je juist kunt toepassen. Dat geldt ook voor afleidingen.
Is het Peter’s auto of Peters auto? Een bezit wordt in principe altijd aangegeven door een -s vast te plakken aan de naam van de eigenaar (zin 1).
Bij lange klinkers zou de uitspraak veranderen. Daar krijg je dus ’s achter de naam van de eigenaar (zin 2).
Als een naam eindigt op een sisklank, komt achter de naam van de eigenaar alleen een apostrof (‘). Het gaat hier dus om de klank, niet om de letter (zin 3).
Deze regels gelden ook voor bij bepaalde soortnamen die naar personen of plaatsen verwijzen (zin 4). Je kunt er bij plaatsen en dergelijke ook voor kiezen om de zinnen iets om te vormen (zin 5).
Veel samenstellingen bevatten een tussenklank die klinkt als -e- of -en-. Schrijf de tussenklank -en-, als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud heeft op -en (zin 1). Gebruik in alle andere gevallen de tussenklank -e- (zin 2 en 3).
Deze hoofdregel kent een paar uitzonderingen. Schrijf geen tussen-n als:
Schrijf in een samenstelling (bijvoorbeeld waarheidsgehalte) of voor een achtervoegsel (bijvoorbeeld jongensachtig) een tussen-s, als je deze hoort. Deze regel geeft je enige vrijheid. Zo komen bijvoorbeeld vervoerbewijs en vervoersbewijs naast elkaar voor.
Soms is het lastig om te bepalen of je een tussen-s moet schrijven. Dit is het geval als het tweede woorddeel met een sisklank begint. Stel dan vast of het eerste woorddeel met een tussen-s eindigt door een alternatief tweede woorddeel te bedenken dat niet met een sisklank begint.
Een afleiding bestaat uit één zelfstandig (naam)woord en een of meer voor- en/of achtervoegsels. Een voorbeeld hiervan is mogelijk + heid.
Afleidingen met afkortingen
Soms heeft een afleiding een afkorting als basis. Schrijf dan een apostrof als de afkorting wordt gevolgd door een achtervoegsel (zin 1 en 2). Plaats echter een koppelteken als de afkorting wordt voorafgegaan door een voorvoegsel (zin 3).
Verkleinwoorden
Van veel woorden kun je een verkleinwoord maken, door -tje, -je, -etje of -pje aan het grondwoord te plakken, bijvoorbeeld: tekst – tekstje of probleem – probleempje. Als Nederlands je moedertaal is, doe je dit meestal automatisch goed. Zo niet, kijk dan op de Taaladviesdienst van Onze Taal voor de uitgebreide regels.
Twee gevallen leveren hoe dan ook vaak spelfouten op: