Taal en stijl: spelling
Een bijvoeglijk naamwoord geeft nadere informatie over het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. Deze specificatie kan een eigenschap zijn of een toestand.
Een bijvoeglijk naamwoord krijgt een -e bij:
Een bijvoeglijk naamwoord krijgt geen -e bij:
In sommige gevallen is zowel het gebruik met -e als zonder -e toegestaan. Dit kan een stilistische reden hebben. Zo laten veel taalgebruikers bij het-woorden de -e weg als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -ig, -lijk, -lijks, -end, -rijk of -isch of als er aan het bijvoeglijk naamwoord een bezittelijk voornaamwoord (mijn, hun) voorafgaat.
Ook kan het gebruik met of zonder -e een verschil in betekenis met zich meebrengen. Zo is een groot politicus een politicus met aanzien en een grote politicus gewoon een lang mens.
Bijvoeglijk naamwoorden die een stof- of materiaalnaam aanduiden, eindigen meestal op -en als ze voor het zelfstandig naamwoord staan (zin 1). De uitzonderingen zijn vooral stofnamen die nog relatief nieuw zijn in het Nederlands; deze krijgen geen uitgang (zin 2).
Weet jij wanneer er een -e achter het bijvoeglijk naamwoord komt?
Als het voltooid deelwoord gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord, schrijf je het zo kort mogelijk.
Is het de vergrote foto of de vergrootte foto? In dit geval is het voltooid deelwoord vergroot gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Je schrijft het dan op dezelfde manier als je de grote foto zou schrijven. Zo kort mogelijk dus: de vergrote foto.
Er worden vaak fouten gemaakt omdat vergrootte wel goed is in de zin: Hij vergrootte de foto wel goed is. Vergrootte heeft hier de functie van persoonsvorm (verleden tijd). Het is bij deze woorden dus belangrijk om te bekijken of het gaat om een bijvoeglijk naamwoord of een persoonsvorm in de verleden tijd.
Andere werkwoorden waarbij vaak vergissingen worden gemaakt zijn:
Zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoorden gedragen zich als zelfstandig naamwoorden. Bijvoeglijke naamwoorden als alle, beide, andere, eerste, grote krijgen geen -n als ze bijvoeglijk gebruikt zijn.
Als deze naamwoorden zelfstandig worden gebruikt, gelden de volgende regels:
Twijfel je of er wel of geen -n bij komt? In sommige gevallen kun je een alternatief kiezen. Soms moet je de zin wat omgooien (zin 1 en 2), soms kun je woorden als 'van deze' gewoon weglaten (zin 3) en soms is er een alternatief woord (zin 4).