Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Gebruik hoofdletters aan het begin van een zin en het begin van een naam. Spel ook afkortingen die zijn afgeleid van een naam met een of meerdere hoofdletters. Hoofdletters gebruik je dus zowel op zinsniveau als op woordniveau.
  • Hoofdlettergebruik op zinsniveau

    Meestal begin je een zin met een hoofdletter, ook als de zin begint met een afkorting of een naam die met een kleine letter begint. Ook een kop van een journalistiek artikel of hoofdstuk, of aanhef of afsluiting van een brief begint met een hoofdletter.

    Op deze regel zijn drie uitzonderingen:

    • Begint de zin met een apostrof, dan krijgt het tweede woord een hoofdletter (zin 1).
    • Begint de zin met een symbool of cijfer, dan volgt er geen beginhoofdletter (zin 2).
    • Begint de zin met een ‘ij’, dan schrijf je beide letters met een hoofdletter (zin 3).

    Na een dubbele punt en puntkomma volgt normaal gesproken geen hoofdletter. Dit gebeurt wel als na de dubbele punt een citaat volgt dat uit een hele zin bestaat.

  • Hoofdlettergebruik op woordniveau

    Schrijf namen met een hoofdletter, ook als deze opgenomen zijn in een samenstelling of afleiding. Of het nu namen van personen of dieren zijn, organisaties, merken, producten, wetten of titels van boeken of films. Ook aardrijkskundige namen, talen, dialecten en volkeren krijgen een hoofdletter, net als officiële namen van feesten, feestdagen en historische gebeurtenisse

    Schrijf ook losse letters in een samenstelling met een hoofdletter als deze letter de vorm toont of een ordening aangeeft (zin 1). Maar let op: bevat de achternaam een voorvoegsel, schrijf dan alleen een hoofdletter als er geen initiaal of voornaam aan voorafgaat (zin 2).

    In enkele gevallen gebruik je een kleine letter:

    • Als een naam een meer algemene betekenis heeft gekregen of niet meer duidelijk verwijst naar een bepaalde plaats; de naam op zichzelf speelt dan geen duidelijke rol meer (zin 1).
    • Als het gaat om namen van historische periodes, terugkerende periodes (ramadan, carnaval), en culturele, maatschappelijke, religieuze en artistieke stromingen (zin 2).
    • Als er Nederlandse namen van diersoorten, dieren- en plantenrassen worden gebruikt (zin 3).
    • Als het gaat om functieaanduidingen en titels, tenzij het een vorstelijk persoon betreft (zin 4).
    • Als het de naam van windrichtingen betreft, tenzij ze deel uitmaken van een aardrijkskundige aanduiding (zin 5).
    • Als het gaat om de naam van munten (zin 6).
    • Als het namen van religies, aanhangers van religies en afleidingen van religies betreft. Ook functies, zoals rabbi, schrijf je met een kleine letter (zin 7).