Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Voor de komma zijn geen keiharde regels opgesteld. Een vaak gehoord advies is om een komma te plaatsen als je bij hardop lezen een kleine pauze hoort. Die regel is niet voor iedereen makkelijk toe te passen.

Veel schrijvers worstelen daarom ermee: wanneer zet je nou een komma en wanneer niet? Kom je er niet uit met hardop voorlezen, gebruik dan de volgende richtlijnen.

  • Wel een komma

    Plaats een komma:

    • tussen een hoofdzin en een bijzin als er geen voegwoord is gebruikt (zin 1);
    • in zinnen waar twee persoonsvormen naast elkaar staan (zin 2);
    • in een samengestelde zin die zonder komma onduidelijkheid kan opleveren (zin 3);
    • voor en/of na een verklarende toevoeging bij een zelfstandig naamwoord of eigennaam (zin 4);
    • tussen korte hoofdzinnen die zonder voegwoord aan elkaar zijn gekoppeld (zin 5);
    • tussen delen van een opsomming in een zin (zin 6);
    • tussen bijvoeglijke bepalingen, als deze van plaats kunnen veranderen zonder van betekenis te veranderen (zin 7);
    • voor en na een hoofdzin die als tussenzin is gebruikt (zin 8);
    • aan het eind van een beperkende bijvoeglijke bijzin (zin 9);
    • aan het begin en eind van een uitbreidende bijvoeglijke bijzin (zin 10).
  • Lastige kwesties

    Komma voor 'en'

    Vaak wordt beweerd dat er geen komma voor 'en' mag. Dat is te stellig, want het is zeker niet verboden. Meestal is het echter gewoonweg niet nodig. Soms kan een komma voor 'en' verduidelijkend werken, bijvoorbeeld bij lange zinnen of na een tussenzin, en dan mag het wel. Verder kan het verwarring voorkomen in opsommingen:

    Beperkende of uitbreidende bijzin

    Het verschil tussen een beperkende of uitbreidende bijzin is soms lastig, maar de komma maakt hierin een groot verschil:

    • In een beperkende bijzin geef je extra informatie die je niet kunt weglaten. Hierbij gebruik je dus maar één komma, aan het einde van de bijzin.
    • In een uitbreidende bijzin geef je daarentegen extra informatie die ook weggelaten zou kunnen worden. Je gebruikt dan twee komma’s, voor en na de bijzin.

    In zin 1 gaat het dus om die ene specifieke docent die je kent omdat ze altijd koekjes eet. In zin 2 gaat het om een willekeurige docent. Ze eet toevallig graag koekjes, maar die informatie had je ook kunnen weglaten.