Als je klaar bent met het voorbereiden en je weet waar je je presentatie over wilt houden, dan kun je beginnen met het middenstuk. Het begin en het einde bedenk je pas later. Volg bij het maken van het middenstuk de volgende acht stappen.
Zoek op internet of in de bibliotheek informatie die je nodig hebt. Ga niet direct beginnen met schrijven, maar verzamel eerst alle relevante informatie.
Zoek een interessante en logische volgorde voor je verhaal, zodat je publiek de draad van het verhaal kan blijven volgen. Maak een schema van je structuur. Er zijn verscheidene standaardstructuren die je kunt gebruiken.
Vul je schema nu verder in met kernwoorden. Schrijf nog geen hele zinnen op, maar verzin bij ieder onderdeel van je schema een aantal belangrijke woorden.
Droge tekst en cijfers spreken vaak niet tot de verbeelding. Je verhaal begint pas te leven als je er voorbeelden bij bedenkt. Probeer zoveel mogelijk verhelderende voorbeelden te verzinnen bij je presentatie. Schrijf deze voorbeelden in je schema.
Hoe kom je van het ene onderdeel naar het andere? Verzin bruggetjes hoe je alle onderdelen van je presentatie aan elkaar praat en schrijf deze in je schema. Je kunt bijvoorbeeld denken aan zinnen als: ‘en dan kom ik nu bij mijn derde voordeel’. Of een zin waarbij je het voorgaande afsluit en het nieuwe aankondigt: ‘We hebben nu gezien welke voordelen dit voorstel oplevert, maar er zijn helaas ook nadelen’. Probeer te variëren in je formuleringen.
Kijk nu naar je schema en vul meer kernwoorden in. Je kunt aan de hand van die kernwoorden je presentatie oefenen. Je merkt bij het oefenen of je verhaal goed in je hoofd zit of dat je het beter uit kunt schrijven. Sommige mensen vinden het prettig om hun hele presentatie uit te schrijven, maar het gevaar hierbij is dat je verhaal niet meer levendig is en dat je te veel schrijftaal gaat gebruiken.
Bedenk of je hulpmiddelen wilt gebruiken om je presentatie te ondersteunen.
Maak een versie met kernwoorden voor jezelf, zodat je tijdens je presentatie niet voor gaat lezen, maar dat je wel kunt spieken mocht je de draad kwijtraken.
Een goede start zorgt ervoor dat je publiek naar je wil luisteren en benieuwd is naar wat er gaat komen. Je kunt op verschillende manieren een presentatie te beginnen, bijvoorbeeld met een anekdote, met een actueel nieuwsbericht of met een persoonlijk verhaal.
De meeste mensen beginnen een presentatie door zichzelf voor te stellen en te vertellen waar de presentatie over gaat. Dit is niet verkeerd, maar hierdoor wordt het publiek vaak niet geprikkeld. Het is de kunst om je publiek snel bij het onderwerp te betrekken en je publiek nieuwsgierig te maken naar wat je gaat vertellen. We geven je een paar voorbeelden van hoe je wél kunt beginnen. Er zijn natuurlijk nog veel meer manieren.
Na het begin van je presentatie maak je je inleiding af door te vertellen hoe je presentatie is opgebouwd. Vertel welke onderwerpen in welke volgorde aan bod komen. Als je PowerPoint gebruikt, kun je dit duidelijk in een slide zetten. Ook met Prezi kun je een overzicht vooraf geven.
Vertel in je inleiding dat je vragen tussendoor of aan het einde zult beantwoorden. Aan het einde is prettig, anders word je steeds onderbroken. Herhaal de vraag uit het publiek in je eigen woorden. Ook mensen achter in de zaal zullen zo de vraag kunnen verstaan en tegelijkertijd geeft het jou de tijd om even over het antwoord na te denken. Als je een antwoord op een vraag niet weet, geef dat dan openlijk toe. Niemand verwacht dat je alles weet! Zorg ervoor dat je alle vragen behandelt, maar probeer niet te veel uit te weiden. Net als bij je presentatie geldt: houd het kort en bondig, zoals in het volgende voorbeeld.
Veel mensen eindigen hun presentatie met ‘dat was het’ of ‘dat was mijn presentatie’. Dit kan wel, maar je kunt je presentatie leuker en interessanter maken door op een andere manier te eindigen. De informatie zal je luisteraars dan beter bijblijven. Hieronder volgen een aantal voorbeelden.
Stel een retorische vraag aan het publiek. Een retorische vraag is een vraag waarop je geen antwoord verwacht, maar die de luisteraars aan het denken zet.
Geef een korte samenvatting van wat je gezegd hebt. Mensen kunnen niet alles onthouden van je presentatie, dus is het prettig als je de belangrijkste punten aan het einde herhaalt.
Kom terug op het begin van je presentatie om zo je verhaal ‘rond’ te maken. Als je je presentatie begonnen bent met bijvoorbeeld een anekdote, dan kun je hier aan het eind weer naar verwijzen.
Eindig met een krachtige stelling. Geef duidelijk je mening over het onderwerp. Dat zet mensen aan het denken en hierdoor ontlok je reacties.
Doe een voorspelling voor de toekomst. Als je kort schetst hoe de situatie er over tien jaar uitziet, dan prikkel je de fantasie van de luisteraars.
Vaak wil je je luisteraars de mogelijkheid geven om vragen te stellen. Dat is ook meteen een goede manier om aan te geven dat je klaar bent met je verhaal. Maar je wilt je verhaal ook op een mooie manier eindigen. Dat kun je als volgt doen: eindig je presentatie met bijvoorbeeld een stelling of anekdote. Laat een pauze vallen en doe een stap opzij. Je stapt dan als het ware uit je rol als presentator. Je vraagt dan of er nog vragen zijn.
Vaak zijn (gesproken of geschreven) teksten op dezelfde manier opgebouwd. In een presentatie wordt bijvoorbeeld eerst het probleem beschreven, daarna wordt uitgelegd waarom het een probleem is en daarna worden de mogelijke oplossingen gegeven. Het voordeel van dit soort structuren is dat je publiek herkent en ook verwacht. En als je je presentatie aan het voorbereiden bent, helpt een standaardstructuur je bij het schrijven en uitwerken van je tekst.
Hieronder staan voorbeelden van structuren die vaak gebruikt worden bij presentaties.
Je wilt je presentatie niet helemaal uitschrijven, maar bij sommige punten is het handig om precies te weten wat je gaat zeggen. Bijvoorbeeld bij een overgang van het ene onderwerp naar het andere. Zo’n bruggetje zorgt ervoor dat jij de overgang soepel kan maken en niet naar woorden hoeft te zoeken en het helpt je publiek om de draad van je verhaal te blijven volgen. Zorg voor afwisseling, dat maakt je presentatie levendiger.
Hieronder vind je voorbeelden van formuleringen die je kunt gebruiken in een presentatie.
Mensen zijn erg visueel ingesteld: plaatjes worden gemakkelijker opgenomen dan gesproken tekst. Daarom is het vaak een goed idee om je presentatie te ondersteunen met een of meerdere hulpmiddelen.
Hulpmiddelen zijn bijvoorbeeld heel bruikbaar bij grafieken, diagrammen, tabellen, opsommingen, foto’s en tekeningen. Toch moet je altijd voor ogen houden dat je woorden het belangrijkst zijn; hulpmiddelen dienen slechts ter ondersteuning. Denk dus goed na welk hulpmiddel het beste bij je presentatie past.
De meestgebruikte hulpmiddelen zijn tegenwoordig nog altijd de presentatietools PowerPoint en Prezi.
Een filmfragment kan een welkome afwisseling in je presentatie zijn. Een geluidsfragment kan ook prima, maar bedenk wel dat beeld veel beter blijft ‘hangen’ bij je publiek dan geluid.
Een hand-out is een A4’tje dat je vooraf of achteraf aan je publiek geeft. Je kunt hier informatie op zetten die het publiek dan kan lezen. Denk bijvoorbeeld aan tabellen en grafieken of een opsomming van feiten.
Een whiteboard is een prima hulpmiddel voor je presentatie. Vooral als je presentatie kort is en je maar een enkele punten wilt opschrijven is een whiteboard veel bruikbaarder dan bijvoorbeeld PowerPoint. Daarbij is het ook heel handig als je interactie wilt met het publiek. Je kunt het publiek bijvoorbeeld een vraag stellen en de antwoorden opschrijven, of samen een mindmap maken. Je presentatie wordt hierdoor een stuk levendiger. Een digitaal whiteboard behoort ook tot de mogelijkheden; denk dan bijvoorbeeld aan Padlet.
Een flap-over is te vergelijken met een schoolbord. Het heeft dezelfde toepassingsmogelijkheden en je moet op dezelfde zaken letten. Een extra voordeel van de flap-over is de mogelijkheid om van tevoren een vel te beschrijven. Dat kan overigens ook met een digitaal whiteboard.